Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

kanon staat. En als straks die meid over een vrijer gaat denken, grijpt dat heel haar persoon aan. Eer Kant zijn Kritik der reinen Vernunft schreef heeft er wat gebroed in zijn hersens! Hierin nu hebben we een zwakke analogie voor het werken Gods. Bij ons is voor een hooger mensch het stoffelijke werk bijzaak en het inwendige hoofdzaak. Die tegenstelling gaat ook door bij God. In Hem is het binnenwerk het wezenlijke, daarentegen het stoffelijke, met eerbied gezegd, bijzaak. Te denken, dat God tot op de Schepping niets gedaan heeft, is even dwaas als dat mijn dienstmeid, wanneer ik uit mijn gedachten opsta om mijn kachel te poken, denkt: nu voert hij toch eens wat uit.

De theologie schoof daarom de tegenstelling op den voorgrond tusschen het opus Dei immanens en het opus Dei exeuns. Daarin ligt:

1°. dat er een groot werk in God is, waarvan men daarbuiten niets merkt;

2°. dat er een werk in Hem is, dat wel naar buiten uitkomt, maar begint met binnenwerk te zijn.

Eigenlijk is alle werken Gods binnenwerk. En slechts een zeer klein deel ervan treedt ook naar buiten.

Dat opus Dei immanens echter mag niet verstaan worden naar menschelijke analogie, als ware daarbij ook een rusten denkbaar. Zelfs een ernstig denker onder de menschen is bijna altoos in zijn gedachten werkzaam. Tot zelfs in den slaap toe, 't zij dat dit uitkomt in droomen, 't zij in een onbewuste werking, waarvan het resultaat is, dat men opstaande helderder inzicht in de problemen heeft dan bij het naar bed gaan. Toch is er bij den mensch altoos een periodieke afwisseling. En de gedachte daaraan nu heeft men bij God geheel op zij te zetten, 't Opus immanens houdt bij God nooit op. Het is niet een deel, dat werkt, terwijl een ander deel rust, maar God is Actus Purissimus. Er is een altoos voortdurende volledige werking van alle krachten Gods. De kinetische energie is bij Hem altoos de absolute, en nooit staat daar een potentieele tegenover.

Men moet onderscheiden tusschen het opus quod immanet en het opus quod exit. Maar ook tusschen het opus internum en het opus externum. Er is een opus immanens quod exire potest. En een opus externum quod exiit. Eerst is alles internum. Tot dat internum behoort dan een zeer groot deel quod nunquam exit, en een ander deel quod exibit. Eenmaal uitgegaan zijn dat de opera externa.

Nu kan voor het opus immanens verwezen worden naar den locus de Deo. 't Is een opus SiaiQitov, omdat het niet is een werk aan Vader, Zoon en Heiligen Geest gemeen, maar een onderscheiden werk van den Vader, een onderscheiden werk van den Zoon en een onderscheiden werk van den Heiligen Geest, 't Zijn opera discriminata. Het eeuwige werk van den Vader

Sluiten