is toegevoegd aan uw favorieten.

Locus de Creatione

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

bestaat in het eeuwig genereeren van den Zoon, het eeuwig doen uitgaan van den Heiligen Geest en het minnen met eeuwige liefde van den Zoon en den Heiligen Geest. "V oor ons zal dit altoos een innergöttlich mysterie blijven. Het genereeren van den Zoon door den Vader is geheel anders dan de generatie onder menschen. Die houdt op als het kind er is. Maar bij den Vader en den Zoon in het eeuwige Wezen is dit een eeuwig rythmisch leven En evenzoo is het met het uitgaan van den Heiligen Geest. En in de liefde tot beiden. Ook liefde is een werkzaamheid in het hart, al hebben wij daarvan ook maar een zeer flauw begrip. In God echter is die liefde volstrekt. Hij is !] Ayccnr] met volle actuositeit. Ook de ayaxr/ is hier actus purissimus. In God is liefhebben het eenige werk.

Hetzelfde geldt van den Zoon. Hij doet eveneens den Heiligen Geest van Zich uitgaan, maar ook laat Hij Zich genereeren. Nu zal men zeggen: dat is toch passief! Tot op zekere hoogte: zeer zeker. Maar een passiviteit, zooals wij die meestal opvatten, bestaat in het eeuwige Wezen niet Zelfs ook wij zeggen tegen een zieke, die gedragen moet worden: je moet wat meegeven. Dat is ook werken. Verder is ook in den Zoon de actuositas amoris naar den Vader en den Heiligen Geest.

En hetzelfde kan gezegd worden van den Heiligen Geest.

Zoo is er dan in dat Sm^stov opus van Vader en Zoon en Heiligen Geest op zichzelf reeds een eeuwig leven zonder dat er ook maar van een ideëele Schepping nog pas sprake is. Voor ons lijkt die conceptie van de wereld een veel grooter werk. Dat innergöttliche leven is voor ons altoos een mysterie. En voeling daarvan krijgen we dan ook niet door dogmatische redeneering, maar alleen door gemeenschap met het eeuwige Wezen langs den mystieken weg van contemplatie en meditatie. Alleen hij die, gelijk onze Confessie zegt, Hunne werkingen in zich gevoelt, en in wien zelf de liefde tot Vader, Zoon en Heiligen Geest vurig brandt, begrijpt er nog wel niets van, maar voelt dan tenminste, hoe daar toch eerst de volheid van het werken gevonden wordt, t Verstand is hier eenvoudig ontoereikend voor. Alle poging is doelloos om dit iemand eens „aan zijn verstand" te brengen. Alleen de mystieke band aan God brengt ons tot kennis daarvan. En dan krijgen we een indruk van een fervet opus als in een ontzaglijke fabriek van raderen, waarbij de grootste op de wereld nog niets is. Daar is niets dan God. Godzelf. Geen kracht is er onbezig. Het is ëén vol, rijk krachtsleven, in overvloed van energieën zichzelf vervullend en zelfgenoegzaam.

Behalve echter dat opus SiaiQtrov is er in God ook een opus commune, en daarin vindt het opus ómtptroj» eerst zijn voleinding.