Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

1 Petr. 1 : 20. 7CQoeyva>6jLtvov atv ngö xatafioXfjg xóe^iov, (paveQ(a#ivtog dh in' io%attov xibv %qÓv(üv di' v\ia<s.

Ten slotte nog in Openb. 13 : 8. Kal 7tQ0G7tVVrj60V6LV CCVTG) TtCiVXSg 01 xatolkovvtss hm tfjg yfjg o)v ov yeygccTCTcci tcc ovo^lccxcc iv rjj fiifixoo tfjg £(ofjg tov ccqvLov tacpocy^évov cbró noezcc-

@oXf]gy.Ó6[lov. Neemt men deze laatste woorden bij èacpay^évov dan beteekenen ze: in decreto. Maar deze beteekenis is toch bedenkelijk, omdat hier het perfectum staat, dus de afgeloopen daad. Daarom is waarschijnlijker, dat het genomen moet bij yéyQccittai.

Diezelfde waarheid, dat er een overgang heeft plaats gehad van een eeuwig zijn zonder Schepping in een zijn met Schepping ligt ook in de uitdrukking: in den beginne, gelijk ze voorkomt in Joh. 1 : 1. 'Ev &qxÏI "hv ° Xóyog, nat 6 kóyog r,v ttqög tov iïtóv, hal 0£os i]v <5 Kóyog, en in Gen. 1:1. fiN Dt6k JCQ fPriOa awn. Ook hier wordt een punctum gesteld, vanwaar af we het we het bestaan der geschapen dingen hebben te stellen. Hiermee is terstond reeds het gevaar van het pantheïsme afgesneden. Daarna lezen we dan ook dadelijk van een verloop van tijd: „toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag."

Zoo is er ook evenzeer een einde. Openb. 21 : 23: Kal ij nóhg ov zes<.W tov ï]hov, ovSs ri'jg asXrjvrjg, ïvct epaLvioeiv iv avtjj. j] yctQ Só^a tov 0eov icfómatv ccvtrjv,

Kal ó kvxvog avrijg tb uqvLov. Er zal geen afwisseling van tijd meer zijn.

Hetzelfde ligt in het begrip £<»?j aiwvtog. Er is geen quaestie van, dat er niet zou zijn een overgang uit het eeuwig alleen zijn Gods in het zijn met de schepping.

II. Gelijk nu bij elk dogma, zoo staan we ook hier voor het probleem van het in samenhang brengen van het eindige met het oneindige. Elk dogma moet altoos betrekking hebben op de religie, op de verhouding tusschen den oneindigen God en den eindigen mensch. Dat punt hebben we ook hier. Bij de Schepping komt de eerste aanraking tusschen eindig en oneindig. Nu zijn wij volkomen onmachtig om die aanraking tot klare oplossing te brengen. Er is er wel eene, maar die geeft alleen de religie, niet het dogma. Het waarachtig vrome gemoed geraakt dan ook geen oogenblik met deze tegenstelling in moeilijkheid. In de mystieke gemeenschap met het eeuwige Wezen wordt ook deze tegenstelling volkomen voor ons opgelost. De kinderen Gods hebben ook hierin s^t/vt], en weten, dat God hun Rotssteen is, niet langs den begripsweg, maar door de inwerking des Geestes. De stille aanbidding en gemeenschap met God geeft ook op dit punt de volkomen oplossing.

Intusschen, al staat dit vast, toch is het onze plicht ons, zoover het kan, ook dogmatisch hiervan rekenschap te geven. We moeten zien, hoever we

Sluiten