is toegevoegd aan uw favorieten.

Locus de Creatione

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

hiermee in de begrippenwereld kunnen komen. Het in de paragraaf gezegde maakt dan ook niet de pretentie, alsof we er daarmee zijn. Dat kan nooit. Slechts dient ze om aan te geven, in hoever we in begrippen daarover tot rust kunnen komen.

III. En dan is er op gewezen, dat de begripswereld zelf, in plaats van die twee begrippen uit te sluiten, juist het saam bestaan van het zijn en het worden eischt. Het worden kan nooit eindeloos uit het worden voortkomen. Het is alleen dan te verstaan, als we er een oorzaak voor kunnen vinden in het zijn. Een eindeloos pantheïstisch worden zweeft in onzekerheid weg. Het zijn is een postulaat voor onze begripswereld. Uit het ziin moet het worden voortgekomen zijn, nadat het een tijdlang zonder worden was. Stelt men daarentegen uit het zijn een eeuwiglijk voortkomend worden, dan maakt men zijn en worden identiek. Daarom moet het zijn eeuwig en het worden temporeel gedacht. De ethische richting echter, voor welke waarheid en zedelijk leven één zijn, rekent alleen met het worden, en vandaar haar onklaarheid en begripsverwarring.

In de tweede plaats wijst de paragraaf erop, dat wij, wanneer we over het Eeuwige Wezen spreken, dat nooit anders kunnen doen dan met het ons gegeven begripsvermogen, en dit kan alleen werken met de factoren uit onze wereld, d. w. z. met factoren uit het worden. Wij kennen het zijn alleen bij tegenstelling, evenals we de eeuwigheid alleen negatief kennen. Wij kennen alleen het veranderlijke. Sprekende van den Onverandeilijkc kunnen we dat alleen per viam negationis, door te ontkennen dat onze veranderlijkheid in God is. Daarom zijn we dan ook eo ipso onbekwaam om het zijn in God te verstaan. Men kan de eeuwigheid noemen a; en den tijd a. Doch nu is het onjuist om te zeggen a: = an. Neen, x = \y a. Dat alleen is juist. Altoos weer stuiten we echter op die tegenstelling, dat we denken x = an, terwijl we toch weten dat dit verkeerd is.

In de derde plaats: ook in het gewone leven hebben we analoge dingen. We zien toch in het leven dingen gebeuren, die natuurlijk niet hetzelfde zijn als in God, maar die toch een tertium comparationis geven. Daarom is er in de paragraaf op gewezen, dat ook wij uit het zijn een worden zien voortkomen zonder verandering van het zijn. Zet men een brandende kaars op een stok, dan kan men met die eene brandende kaars in kamer na kamer de kaars aansteken, zonder dat nochtans die eerste kaars ook maar eenige