Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Zoo maken de Ethischen zich los van de letterlijke opvatting van het hier verhaalde, 't Komt slechts aan op de idee. Het gebeurde wordt hier ingekleed in een schoonen vorm, maar het kon ook in een anderen vorm zijn gegoten. En in plaats van nu te erkennen: wij geven het historisch karakter prijs, beweren zij hunnerzijds nog, dat hun opvatting alleen de historie doet kennen.

Onzerzijds hebben we van hun opvatting alleen dit goede vast te houden, dat zich in die historie zeer zeker een idee realiseert. Verkeerd is het, wanneer men, gelijk vaak op catechisaties en zondagsscholen geschiedt, met een opsomming van het gebeurde op de verschillende scheppingsdagen klaar meent te zijn. Een zoo opgevoede jeugd raakt geen oogenblik onder de majesteit des Heeren. En het is juist het betrekkelijk goede der Ethischen, dat zij op de hooge beteekenis van het Scheppingsbericht wijzen. Ook in de Heilige Schrift zien we gedurig weer een terugkomen op het feit, dat God den hemel en de aarde geschapen heeft, om het in verband te zetten met heel het leven. Daarom is het point de départ voor alle Christelijke religie de belijdenis: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

We vinden dit allesbeheerschende feit in de eerste plaats weer op den voorgrond gesteld bij het Sabbathsgebod, Ex. 20: 11: „Want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere den Sabbathdag en heiligde denzelven." We hebben hier dus niet slechts een menschelijke herinnering, maar de Heere zelf brengt op een plaats, waar wij het niet zouden verwacht hebben, die Schepping weer op den voorgrond, als het gronddocument voor heel het leven, waarin Zijn heerschappij over onze tijdsindeeling ligt opgesloten. In hfdst. 31 : 17 vinden we hetzelfde: „Hij zal tusschen Mij en tusschen de kinderen Israëls een teeken in eeuwigheid zijn; dewijl de Heere in zes dagen den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft."

Dan Deut. 10: 12, 13, 14: „Nu dan, Israël! wat eischt de Heere, uw God, van u? dan den Heere, uw God, te vreezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den Heere, uw God, te dienen, met uw gansche hart en met uw gansche ziel; om te houden de geboden des Heeren, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede. Ziet, des Heeren, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde en al wat daarin is." Hier wordt aan het feit, dat God de Schepper van alle ding is, Zijn recht ontleend om ordinantiën te geven voor het menschelijk aanzijn.

Dan 2 Kon. 19 : 15: „En Hiskia bad voor het aangezicht des Heeren, en zeide: O Heere, God Israëls, die tusschen de Cherubim woont! Gij zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt den hemel en

Sluiten