Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

wordt gewezen op het diepzondige van de menschvergoding, wijl door God alles gemaakt is.

Dan Openb. 4:11: „Gij, Heere! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer, en de kracht, want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen." Hier wordt al het geschapene opgeroepen tot verheerlijking Gods.

Eindelijk Openb. 14 : 7: „Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft." Hier is de gedachte, dat God, omdat Hij alle dingen schiep, ook het recht heeft alle dingen te oordeelen.

V. Hieraan zij nog dit toegevoegd:

De Schepping als zoodanig is het rechtstreeksche postulaat van de idee der religie. De religie is de verhouding tusschen God en ons hart met zoowel de daaruit voortvloeiende verplichtingen als de daarin besloten vertroostingen. Daarbij zijn steeds twee termen, God aan de eene en wij aan de andere zijde. En op welke andere wijze nu ook het bestaan van de wereld verklaard wordt, altoos wordt daarbij het begrip der religie vernietigd. Er is alleen ware religie, als men God als Geest aanbidt. In Hem nu is niets materieels. Daarentegen is onze wereld het materieele. We hebben dus de relatie tusschen eenerzijds wat geestelijk is in absoluten zin en anderzijds wat stoffelijk is. Heb ik nu aan den eenen kant geest en aan den anderen kant stof, dan kan öf de geest zijn ontstaan aan de stof hebben te danken, of de stof aan den geest, of beide zijn eeuwig.

In het eerste geval, wanneer geest uit stof is, heb ik natuurlijk geen religie maar puur materialisme. Dan is denken niets dan een uitzweeten van de hersenklieren.

In het laatste geval echter, als beide eeuwig zijn, heb ik een eeuwig dualisme. Het tweegodendom van stof en geest.

De eenige mogelijkheid, die voor het religieuze besef kan ontstaan, is dus, dat de stof zijn oorsprong dankt aan den geest, anders gezegd: de creatie. Negeer ik die creatie, laat ik stof en geest naast elkaar, maar wil ik, om het dualisme te vermijden, die twee samensmelten, dan krijg ik pantheïsme en is de religie voor mij weg. En eindelijk, negeer ik idealistisch de realiteit van de stof, leerende met Fichte, dat de stof is het niet-Ik, wat niet bestaat, dan is weer de religie verloren, want öf dan ben ik ook zelf niet, öf ik ben zelf God. Hoe men ook zoekt, hier baat noch combinatie, noch negatie. Alleen de gedachte, dat de stof haar ontstaan aan den geest dankt, dus de

Sluiten