Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

hiertegen het bezwaar gerezen, dat formare in het Sanskriet dharstan is. Toch is dit nog geen afdoend bewijs, dat er geen verband tusschen beide woorden zou zijn, aangezien de Indo-Germaansche talen telkens toonen, hoe een dentaal in het Sanskriet later een lipletter werd, b.v. bis en dus; helium en duel. En altijd vindt men dan voor b een d plus een u. Daarop kon misschien ook de h in dharstan wijzen. Maar zekerheid bestaat er omtrent deze afleiding nog niet.

Een andere vraag is, wat in de Semietische talen het grondbegrip van J03 is. De grondradicalen 3 en 1 keeren in woorden van overigens geheel onderscheiden beteckenis telkens terug. In de lexica als Gesenius en Fürst vindt men dan achtereenvolgens I, II, III, telkens met verschillende grondbeteekenis. Dit komt, omdat de woorden, die wij in het Hebreen wsch vinden, hun parallel hebben in het Arabisch, Syrisch, Arameesch, enz. Wanneer ze nu in die talen een andere beteekenis hebben, dan leidt men daaruit af, dat er ook voor het Hebreeuwsch drieëerlei grondbeteekenis is. Dit kan, zooals scheppen in den zin van voortbrengen en scheppen van haurire van geheel verschillende beteekenis zijn. Toch moeten we aan den anderen kant de gedachte niet loslaten, dat woorden van zeer verschillende beteekenis één grondbeteekenis kunnen hebben. Daarbij vergete men niet, dat de vergelijkende taalstudie pas begint, en dus de grootste voorzichtigheid in acht is te nemen. Nu heeft de wortel ~Q de grondbeteekenissen van snijden, baren, kiezen, en ten deele ook van vet zijn. is een vet beest, een kalf. Maar 't is mogelijk, dat de beteekenis van vet zijn dezelfde is als in kiezen, omdat men n.1. kan zeggen, dat een vet beest een gekozen beest is, uitgekozen uit andere beesten. De meest constante beteekenis van den wortel 13 is intusschen snijden, en daarop zou men als op de grondbeteekenis kunnen teruggaan. Daaruit toch is zeer goed af te leiden vormen in de beteekenis van ~)ï\ Ook kiezen is afsnijden van wat men niet hebben wil. Zoo ook zit in iTQ het denkbeeld van snijden, denk aan iT13 iTT3. De wrèoncfósluiting n.1. bestond in het slachten van het offerdier en het doorgaan tusschen de beide stukken. De uitdrukking JT13 iY13 toont, dat het Hebreeuwsch in zijn latere formatie het woord J03 niet meer verstond, anders was het begrip snijden niet tweemaal uitgedrukt.

}f"13 komt voorts in de Heilige Schrift niet enkel voor in den zin van scheppen, maar ook van onderhouden, herscheppen, een wonder doen. Toch staat, waar J03 gebezigd wordt, altijd op den voorgrond het begrip dat God het doet. Wanneer dat J>n3 nu gebezigd wordt in Jes. 45 : 7, waar de vertaling luidt: „Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak den vrede en schep het kwaad", dan is het toch geheel verkeerd daar aan een nieuwe Schepping

Sluiten