Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

als van een appendix der aarde, terwijl omgekeerd van de aarde nergens gesproken wordt als van een appendix der andere bollen.

loch geeft dat nog niet het recht tot een geocentrische voorstelling te concludeeren. Maar het geocentrisch karakter ligt vooral daarin, dat op deze aarde het hoogste schepsel gevonden wordt. Wanneer we toch vragen waarin de schepping culmineert, dan weet men ons wel door spectraalanalyse te zeggen, dat er op die andere bollen gelijke stoffen zijn als op den onzen maar van eenig leven daar heeft men niets ontdekt. Zijn daar dan geen levende wezens? Dat weten we niet. Maar dat is ook de kwestie niet. De vraag is slechts, of daar hooger schepselen zouden kunnen zijn dan op deze aarde. En die mogelijkheid nu te stellen staat de Schrift niet toe. Zij geeft zeer duidelijk een scala. Volgens haar is in den mensch het hoogste bereikt. De engelen stelt zij lager. Al zijn zij aanvankelijk iets hooger (Psalm 8). toch zegt de Schrift, dat ze ons dienen, en dat wij hen zullen oordeelen.

Maar kunnen er dan daarom niet nog hoogere wezens bestaan ?

Deze vraag wordt door de Incarnatie tot evidentie gebracht. Zij is de nauwst mogelijke vereeniging tusschen het goddelijke en het menschelijke. In Christus is het summum bereikt. „Die Mij gezien heeft," zegt Hij, „heeft den Vader gezien."

Maai kan dan diezelfde Zoon van God op een anderen bol niet noe een hoogere unie zijn aangegaan?

Neen, want daartegenover staat, dat aan den mensch Jezus Christus gegeven is alle macht in den hemel en op de aarde, ook alle tronen en heerschappijen mets uitgezonderd. Het hoogst denkbare schepsel is Hem als aZato's

onderworpen. En nu is het uit, want daarmee is de zaak beslist.

De Schrift leert dus als antwoord op de vraag, welke van alle bollen een centraal karakter draagt, dat dit het geval is met v vn.

loch is dat juist het punt, waartegen de natuurkundigen en physici zich verzetten. Op welken grond? Op geen anderen grond, dan omdat dit een al te sterke disproportie in 't leven zou roepen. Ze gelooven dan eer, dat de zon een centraal karakter zou hebben met al de planeten erom. En dat dan al de zonnen nog weer één centraalzon zouden hebben, enz. In de tweede plaats voegt men daar dan nog een tegenwerping bij uitliet oogpunt der symboliekMen zegt: „Alles wijst erop dat een centrale levensbeweging zich uitwendig afteekent. Maar dat denkbeeld is hier bespottelijk."

Maar de quaestie is slechts, of nu dat centrale ideëel of materieel gerekend moet worden. In het laatste geval is de quaestie natuurlijk uit. Dan weten we er eenvoudig niets van, waar het centrum van het heelal is. Maar hoe moet het centrum zijn, ideëel of materiëel? En dan kunnen we, met het oog op ons eigen leven, moeilijk tot een andere conclusie komen, dan dat

Sluiten