Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

eindelooze tijdruimte van millioenen en millioenen van jaren gevorderd wordt om voor deze langzaam voortschrijdende transformatiën den noodigen tijd te kunnen onderstellen. Deze hypothese, die in hoofdzaak ïeeds in het laatst der vorige eeuw opkwam, en in kiem reeds by Democritus en Empedocles gevonden werd, verkreeg in onze eeuw tengevolge van Darwins optreden op onverwachte wijze vrij algemeene aanneming onder den naam van evolutie-, transformisme- of Descendenztheorie. In haar latere ontwikkeling is deze evolutiegedachte philosophisch dooi Haeckel e. a. tot een philosophie uitgewerkt, volgens welke niet alleen al het bestaande uit atomen is opgebouwd, maar ook, en dit is het kenmerkende, dat deze evolutie plaats greep zonder eenig teleologisch plan, geheel vanzelf door puur toeval, en alleen daardoor bepaald werd, dat onder de vele mogelijke combinatiën één enkele den hoogsten waarborg voor haar voortbestaan bezat in de haar eigene practische nuttigheid of geschiktheid voor het leven. Veranderlijkheid en eifelijkheid zijn de twee factoren, die volgens deze evolutie-leer teweeg brengen, dat het eens gewonnen resultaat niet te loor gaat, en telkens door nieuw increment wint. En dit beginsel, door Darwin ooispionkelijk toegepast op het materieele, is sinds evenzoo aangewend ter verklaring van het ideëele leven, en wel meest in dien zin, dat ook het ideëele leven uit de bewegingen, die in het materieele worden waai genomen, opkomt. De creatio aequivoca, hoewel niets dan een giatuite onderstelling, waarvoor nog nimmer empirisch bewijs geleverd is, is voor dit stelsel de onmisbare sluitsteen. Deze voorstelling is in haar consequentie volstrekt materialistisch en anti-theïstisch, en is niet dan geheel ten onrechte met het pantheïstisch proces der vroegere philosophie verward, en op even ongerijmde wijze met zekere pantheïstische religie in verband gezet. Hoezeer nu ook deze evolutionistische voorstelling in ongelooflijk korten tijd den tijdgeest voor zich won, en schiei op elk gebied leidend motief van onderzoek werd, toonen intusschen de latere onderzoekingen zoowel op botanisch als zoölogisch gebied, met name het onderzoek der cellen, steeds duidelijker de onmogelijkheid om zonder een dirigeerend principe in de cellen zelve het proces der evolutie te verklaren. Zulk een dirigeerend principe wordt dan ook in toenemende mate door de beste onderzoekers aangenomen, doch hiermede is dan ook de hoofdbewering der evolutie-theorie als onhoudbaar ter zijde gesteld. Zoodra toch een dirigeerend principe woidt aangenomen, is eo ipso het teleologisch beginsel weer binnen geloodst, welk teleologisch beginsel als antecedens een denkenden geest

Sluiten