Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

de oorzaak niet te vinden zijn. De gansche Evolutie-theorie ligt onderst boven. Al de vroegere eenparigheid onder deze heeren is verdwenen. Ze hebben thans den heetsten strijd onder elkander.

Haar opkomst dankte deze theorie aan de bewering, dat ze heel de wereld zonder Godsplan uit louter toeval zou verklaren, niet organisch, maar mechanisch. Darwin zelf heeft volmondig verklaard, dat, als er aan dat mechanische ook maar iets haperde, heel de theorie voor den grond lag. En toen na Darwin Romanes in Engeland is opgestaan, is deze nog vóór zijn sterven tot het inzicht gekomen van de totale vergissing, en heeft hij erkend, dat de wereld zonder God niet te verklaren is.

Tegenwoordig mogen dan ook de mannen van de secowrö-ftanrö-wetenschap in de Evolutie-theorie nog vast staan, zooals leeraars aan Hoogere Burgerscholen, of nog vaster hoofden van lagere scholen, en nog vaster leerlingen van Hoogere Burgerscholen, — maar in de streng wetenschappelijke kringen heeft de Evolutie-theorie uitgediend, en de tijd is komende, dat men juist tot het geloof in God moet terugkeeren.

IV. Nog twee quaesties moeten ten slotte besproken worden.

De vraag is n.1.: Laat zich nu, bij het geloof aan God, het manueel van de Evolutie-theorie vereenigen met dat van het geloof? Kan God de Heere begonnen zijn atomen te scheppen en daarna door evolutie de bestaande wereld hebben doen worden? En dan dient geantwoord, dat deze gedachte op zichzelf met het Godsbegrip niet in strijd is. De wijsheid en almacht Gods blijft er even bewonderenswaardig om. Eén atoom te scheppen, waarin zoodanige vermogens rusten, dat door gedurige aanpassing het leven er vanzelf uit zou voortkomen, is volstrekt niet minder wonderbaar dan het scheppen van bepaalde soorten. Doch we zijn nu eenmaal niet geroepen om fantasieën te maken, maar om te rekenen met de realiteit.

En dan blijken er twee grenzen te zijn, die tusschen het anorgische en het organische, en in dat organische nog weer tusschen den mensch en de overige organische wereld.

Die eerste snijding nu is absoluut. Tusschen het organische en het anorganische is geen overgang te vinden. Om die te bewijzen zou men moeten aantoonen een ontwikkeling van het levende uit het doode, en zoo een creatio aequivoca. Dat is het onmisbare element voor de Evolutie-theorie. Maar die creatio aequivoca is er niet. Van dien kant is de zaak dus reeds afgesneden.

Nu de tweede insnijding, op de grens van de dierenwereld naar de menschenwereld. Zeer begrijpelijk heeft men gewezen op de groote overeenstemming

Sluiten