Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesloten, en het is haar onmogelijk zich daarbuiten te begeven. Omtrent hetgeen niet zinnelijk-waarneembaar is, weet zij niets, is zij dus agnostisch. Dit stelsel, dat vaste vormen kreeg in de theorieën van den Franschen wijsgeer August Comte (f 1857) en van den Engelschen philosoof Herbert Spencer (f- 1906), was reeds verkondigd door Immanuel Kant (f 1804), die terecht de vader genoemd wordt van alle wijsgeerige dwalingen van onzen tijd. Reeds Kant leerde, dat onze verstandelijke kennis slechts dan reëele kenwaarde bezit, als zij zich bepaalt tot de gegevens der zinnelijke ervaring, en dat wij omtrent het bovenzinnelijke niets met zekerheid kunnen weten. Deze aprioristische door niets gerechtvaardigde bewering is helaas ook door verschillende katholieken overgenomen. Vele modernisten plaatsen zich geheel en al op dit standpunt, en komen dus daardoor in botsing met de definitie van het Vaticaansch Concilie, dat de mensch door het natuurlijke licht van zijn verstand uit de geschapen dingen kan opstijgen tot de zekere kennis van God ]). Voordat er van modernisme sprake was, hadden reeds sommige katholieken eveneens de onmacht van het menschelijk verstand uitgesproken, om door eigen kracht het bestaan van God te achterhalen. Het waren de bekende Traditionalisten:

1) Ik zeg: Vele modernisten plaatsen zich op dit standpunt. Niet allen gaan zoover. Sommigen beweren nl., dat de redeargumenten voor het bestaan van God wel niet alle kracht missen, maar dat hun overtuigingswaarde een zeer beperkte is, omdat zij volgens hen alleen zouden gelden voor diegenen, die reeds goed gestemd zijn. Nu moge het waar zijn, dat kwade neigingen een zeer nadeeligen invloed kunnen uitoefenen op de helderheid onzer oordeelen, de feitelijke ervaring weerspreekt, dat ons verstandelijk inzicht geheel en al daarvan afhankelijk zou zijn, zooals vele modernisten leeren. Beysens: Natuurlijke Godsleer, I, blz. 34—37-

Sluiten