is toegevoegd aan uw favorieten.

De antimodernisten-eed

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opduikt, onder den drang van het hart en den invloed van een zedelijk gevormden wil, maar een ware instemming van het verstand in de waarheid, die van buiten door het gehoor wordt ontvangen, (eene instemming) waardoor wij namelijk als waar gelooven wat door den persoonlijken God, onzen Schepper en Heer, gezegd, getuigd en geopenbaard is, om het gezag van God, die ten hoogste waarachtig is" J).

De laatste helft van deze stelling is niets anders dan een herhaling van hetgeen het Vaticaansch Concilie reeds had vastgesteld, en wat trouwens de overtuiging was van alle christelijke eeuwen, dat namelijk ons geloof een instemming is van ons verstand in alle waarheden, die God ons heeft geopenbaard, en wel om de autoriteit van God zelf, en dat het geloof van buiten af aan het verstand wordt voorgehouden 3). Wij hebben gezien, dat volgens de modernisten

I) Heiner voegt in zijn Die Massregeln Pius' X gegen den Modernismus (S. 96) de woorden »moraliter informatae' bij »subconscientiae , en vertaalt derhalve, dat volgens de modernisten het geloof opstijgt uit de schuilhoeken der subconscientie )>moralisch informirt unter dem Druck des Herzens und dem Drange des Willens". De subconscientie wordt dus voleens deze vertaling zedelijkerwijze [(natuurlijk niet physisch) be-

invloed door den drang van hart en wil. Bessmer daarentegen gaf in de Stimmen aus Maria Laach de boven gegeven vertaling. De beteekenis blijft, zooals men ziet, zakelijk dezelfde.

2) Wanneer wij zeggen, dat de geloofsakt is een daad van het verstand, dan willen wij daarmede geenszins den invloed ontkennen, die ook aan den wil bij de tot standkoming dier daad toekomt. Het geloof is volgens de Vaticaansche definitie een assensus intellectus ex imperio voluntatis. De geloofsakt is namelijk een samengestelde akt, welke tot stand komt door samenwerking van verstand en wil. Zij is niet een daad van het verstand alleen, om deze reden dat de instemming van het verstand door de geloofswaarheden niet wordt afgedwongen. De innerlijke objectieve evidentie immers straalt ons uit die waarheden niet tegen. Ware dit zoo, dan zou het verstand zijne instemming moeten geven, zooals dit is bij iedere waarheid in de natuurlijke orde, die in haar eigen klaarheid