Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedenken dat zij ten eerste eigenlijk nog maar weinig van het alledaagsche leven dier oude volken weten; ten tweede dat een betrekkelijke stilstand van laten wij zeggen 10 a 15000 jaar niet veel beteekent in vergelijking met de misschien millioen jaren dat de menschheid bezig is zich te ontwikkelen. Laten zij toch zichzelf eens vergelijken bij den Neanderdalmensch of den Pithecanthropos van Dubois!

Ik neem dus aan dat wat er slechts en zieks, of laat ik liever zeggen kinderlijks en onredelijks in het maatschappelijk leven is, kan worden genezen en verbeterd. Een maatschappelijk euvel lijkt slechts ongeneeslijk wanneer het goede nog niet krachtig genoeg is om de omstandigheden waaronder dit euvel ontstond en voortbestaat te veranderen. Maar vroeg of laat moet er voor ieder maatschappelijk euvel een oogenblik komen waarop het kan worden weggenomen.

Zoo is het ook met den oorlog. Wie ten tijde van Nebucadnezar of van de groote volksverhuizing het moderne pacifisme zou hebben gepredikt, had zeker den naam van onpraktisch fantast of utopist verdiend. Want in die tijden was de oorlog werkelijk een nog onvermijdelijk kwaad. Of eigenlijk, welbeschouwd was hij dus géén kwaad. Alle menschelijke kuituur heeft zich aanvankelijk door strijd, door ruwen, gewelddadigen strijd, moeten baanbreken en handhaven; alle naties zijn geboren uit eindelooze oorlogen, uit geweldenarij, overheersching, onderdrukking, uitzuiging, dikwijls vernietiging van de zwakkeren. Oorlog was noodzakelijke zelfverdediging, oorlog was ook winstgevende arbeid, dat wil zeggen roof van vee, slaven en vrouwen, oorlog was edele sport. Oorlog was een vernietiger, maar méér nog een verspreider van kuituur: Oorlogen hebben kleine, rondzwervende stammen vereenigd tot groote volken; oorlogen hebben de Grieksch-Romeinsche kuituur geschapen; oorlogen hebben het Christendom en den Islam verspreid; oorlogen hebben de moderne eenheidsstaten helpen grondvesten. Met andere woorden: de oorlog is wel degelijk een kuituur-factor geweest, een verschijnsel, dat, hoeveel kwaad het ook tijdelijk en plaatselijk stichtte, toch over het geheel genomen goede gevolgen heeft gehad. Laat ik liever zeggen, een verschijnsel dat krachtig heeft meegeholpen om de menschheid zich te doen ontwikkelen tot wat zij nu is. Oorlog was de eenige selektieve kracht die tusschen van elkaar geïsoleerde, elkaar vreemde en ongelijkwaardige stammen of volken zich kon doen gelden. Elke stam, elk volk, dat niet in eigen noodzakelijke produktie kon voorzien, móest wel zijn buren plunderen; elke staat die zijn kuituur bedreigd zag door omwonende barbaren moest voortdurend tot afweer gereed staan. Zoo was dus de oorlog een betrekkelijke noodzakelijkheid en daardoor krijgshaftigheid, met hoe groote wreedheid en meedoogenloosheid ook gepaard, een betrekkelijke deugd. Toch geeft het te denken dat zélfs in de oudste, zoozeer op krijg berustende kuituren, de groote wijsgeeren en dichters steeds den oorlog plegen te verfoeien en hem alleen beschouwen als een betreurenswaardig uitvloeisel van menschelijke domheid en kortzichtigheid. Dit bewijst dat zelfs toen reeds niet alle oorlogen „noodzakelijk" waren (een wijsgeer toch verzet zich niet tegen het noodzakelijke) en de Grieksche stammen bijvoorbeeld hebben dit dan ook wel degelijk gevoeld voor zoover hun eigen onderling gekrakeel betrof.

Tot op zekere hoogte was de oorlog zelfs nog voor de absolutistische staten der laatste eeuwen zulk een relatief nuttige factor. Zoolang tenminste als hun ideaal: zooveel mogelijk ten koste van andere staten leven, althans hen zooveel mogelijk afbreuk doen, werkelijk de inwendige bevestiging dier staten in de hand werkte. Deze beteekenis van den oorlog voor de oude geweldstaten is echter voor den modernen rechtstaat geheel veranderd. Door den eeuwenlangen invloed van filosofie en christendom (om mij tot Europa te bepalen) en door een geleidelijke verspreiding van kunsten en wetenschappen, heeft zich reeds in de Middeleeuwen naast een eng

Sluiten