is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag der Commissie door den Minister van justitie benoemd om advies uit te brengen nopens de maatregelen welke tot verbetering van de politie kunnen strekken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De grenzen tusschen huishoudelijke of Rijkspolitie zijn in de bijzondere gevallen niet altoos duidelijk" 1), en in de Memorie van Beantwoording: „ üe algemeene en de plaatselijke politie kunnen zich binnen de gemeente op menigvuldige plaatsen ontmoeten" , en voorts „de Commissaris van Politie dient van het hooger Rijkspolitiegezag onmiddellijk bevelen te kunnen ontvangen

Alsmede op art. 191 : .De Commissaris van Politie is een ambtenaar in het algemeen Rijksbelang werkzaam. Hem zijn echter ook gewichtige plaatselijke belangen toevertrouwd" 2), en bij de beraadslagingen over dat artikel zeide de Minister: „Daar slaat tegenover, dat de commissaris, in welken toestand hij ook door de algemeene politiewet worde geplaatst, is een agent van het algemeen Gouvernement" 3).

Yan groote belangrijkheid is voorts de uitvoerige rede van den heer Peovó Kluit 4).

Dat de gemeentewetgever dan ook bepaaldelijk van de meening uitging , Jat er behalve de gemeentepolitie een Rijkspolitie was en dat die rijkspolitie behoorde te worden georganiseerd, blijkt wel op de meest ondubbelzinnige wijze daaruit, dat dezelfde Regeering , hetzelfde Ministerie Thorbecke—Nedebiieijer van Rosenthal, dat de Gemeentewet had doen aannemen, ook de organisatie van de algemeene of rijkspolitie in het leven riep , bij den maatregel van inwendig bestuur van 17 December 1851 {Staatsblad n". ló(5), waarvan de considerans luidt: „Overwegende dat het belang van den Staat vordert, dat het beheer en beleid der algemeene of Rijkspolitie op nieuwe grondslagen worden gevestigd, en dat de dienst van dezen tak van bestuur over alle deelen des Rijks op eenen eenparigen voet worde geregeld, en in overeenstemming gebracht met de beginselen voor de gemeentepolitie vastgesteld bij de wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad n". 85)', terwijl de artt. 184 en volgg. der Gemeentewet daarin worden aangehaald.

In de beweegredenen, welke dat besluit vergezellen, leest men o. a.: 5)

„Hel behoeft geen beloog dat er nevens de gemeentelijke politie, die voorzeker door de Gemeentewet op betere grondslagen is gevestigd dan vroeger het geval ivas, eene Rijkspolitie bestaat. De Gemeentewet

t) Francken, bladz. 379.

2) Franckeh bladz 382.

3) Bladz. 383. Mandelingen bladz. 837.

4) Francken bladz. 358 vo'gg.. Handelingen bladz. 834 volgg.

5) Algemeen Politieblad 1852. bl. 14.