Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ Hel spreekt in allen geval van zelf, dat de burgemeester krachtens art. 190, van de commissarissen en dienaren der politie zal kunnen eisclien dat zij zijne bevelen volgen, zoolang zij hem gecne daarmede strijdige van een lioogcr gezag kunnen toonen."

De beteekenis dezer discussie bestaat uitsluitend daarin dat zij aanduidt boe uit de moeilijkheid te geraken van tegenstrijdige bevelen , waarvan de mogelijkheid uit het bestaan van één personeel met tweeërlei bestemming en tweeërlei gezag van zelf Voortvloeit.

Wat geschieden moet in geval van tweeërlei opdracht? In dat geval zoude, volgens Thorbecke , van den ambtenaar der gemeentepolitie , die zich op rijkspolitiedienst beroept, door den burgemeester de vertooning van een bevel van het gezag der Rijkspolitie gevorderd worden.

De beteekenis is zeker niet dat het gezag van de Rijkspolitie . in den regel, alleen speciale bevelen zou kunnen geven, en geene algemeene doorloopende voorschriften.

Dat mag uit het woord „bevel" van het gezag der Rijkspolitie niet afgeleid worden. Dezelfde plaats der Memorie van Beantwoording toch spreekt evenzeer van de bevelen van den burgemeester.

Het zoude mede niet zijn overeen te brengen met de talrijke plaatsen , zoowel in de schriftelijke behandeling der wet als der discussie, waarin de bemoeiingen van den commissaris van politie ten aanzien der algemeene politie als voortdurende bemoeiingen worden aangeduid, waarbij d-> commissaris als eeL ambtenaar, voortdurend met rijkspolu.3dienst belast, beschouwd wordt.

Zoo zegt de Minister Thorbkcke in de Memorie van Beantwoording op art. 191: 1)

„D« commissaris van politie is een ambtenaar in het algemeen Rijksbelang werkzaam. Hem zijn echter ook gewichtige plaatselijke belangen toevertrouwd";

en' bij de discussie over dat artikel, 2) ,dat de commissaris van politie, in welken toestand hij ook door de algemeene politiewet worde geplaatst, is een agent van het algemeen Gouvernement'''.

Het zoude ook strijden met de reeds medegedeelde omstandigheid dat het in de bedoeling lag dat alle uitvoering der rijkspolitietaak in den regel zou berusten bij het personeel der gemeentepolitie. (Zie bladz. 26 van dit Rapport.)

1) Francken bladz. 38i. Zitting van 22 Mei 1851. Handelingen bladz. 837.

2) Feancken bladz. 383.

)

Sluiten