Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het arrondissement en liet aan die ambtenaren waarschijnlijk, in den aanvang althans , te veel inspanning zoude kosten , nevens hunne drukke gewone ambtsbezigheden, zonder de leiding van den Officier van Justitie, zich behoorlijk bekend te maken met een dienstkring hun tot dusver geheel vreemd.

Het tweede is dit, dat het te voorzien is dat de ambtenaren van politie in de ouderdeelen van het arrondissement — en volgens het rapport der Commissie zouden dat zijn, o. a. burgemeesters, commissarissen van politie en officieren der marechaussee — het aangenamer zouden vinden gesteld te worden onder de Officieren van'Justitie , aan wien zij als Hulpofficieren reeds ondergeschikt zijn, dan ouder ambtenaren die zij wellicht als meer gelijk in raug beschouwen. Zekere gevoeligheid, welke bij ambtenaren wel eens wordt aangetroffen , zoude daardoor kunnen worden voorkomen.

De ondergeteekende veroorlooft zich hierbij te herinneren aan hetgeen geschied is in de Juristenvereeniging van 1893.

In de vergadering op 29 Augustus van dat jaar gehouden is o. a. de vraag gesteld: „Moeien als hoofden der rijkspolitie worden aangewezen de hoofden van liel O. M. bij de hoven en rechtbanken ?

Die vraag nu , is bij acclamatie bevestigend beantwoord, met medewerking van éen groot aantal leden van de rechterlijke macht, waaronder vele ledeu van het O. M., van talrijke advocaten, professoren in de rechtswetenschappen en yolksvartegenwoordigers, onder welke laatsten ook de tegenwoordige Minister v.in Binnenlaudsehe Zaken.

Ik verwijs voorts naar de belangrijke discussie nopens de vraag gehouden. Mr. Tiggei.aak (Handelingen bladz. 13G en 137), was de eenige die de vraag bestreed , op grond van de vrees dat het O. M. den schijn van partijdigheid op zich zoude laden wanneer het mede met de leiding der preventieve politie werd belast. Hij werd echter krachtig bestreden o. a. door mrs. Levy , (bladz. 145 volg.) en de Pjnto , (bladz. 157 volg.) en vond geen termen stemming over de vraag uit te lokken. Ook bij andere sprekers (o. a. bij mr. van Geuns en prof. de Loütek) vond de bevestigende

beantwoording dei vraag steun.

De ondergeteekende meent dat aan het votum van 1893 ook thans nog volle waarde moet worden gehecht en dat het te gereeder kan worden gevolgd, wanneer overeenkomstig de perken door Uwe Excellentie aan het mandaat der Commissie gesteld in afwijking van een ander votum der Juristenvereenitnn'g de gemeentelijke politie zal worden gehandhaafd en het gezag'van den Officier van Justitie zich alleen over de zaken van Rijkspolitie zal uitstrekken.

Sluiten