is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding op den Bijbel in de tekstuitgave der Leidsche Vertaling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lied, Prediker en Ester. Wat sommigen er tegen hadden, wordt niet overgeleverd; maar wij kunnen het wel gissen. De dartele bruiloftsliederen van Hooglied staan zeer vreemd tusschen godsdienstige boeken, en Prediker ademt meer twijfel dan geloof. Dat beide op Salomo's naam stonden heeft zeker veel geholpen om ze te behouden; en Hooglied werd daarenboven geestelijk verklaard: de bruidegom was Jahwe, de bruid de gemeente van Israël; zoo werd het in veler oog zelfs een allerheiligst boek. Dat sommige schriftgeleerden zich ergerden aan Ester, een boek vol volkstrots en wraakgierigheid, strekt hun tot eer. Ongelukkig viel het in den smaak der gemeenten en bleef het een deel der Heilige Schrift.

Op deze vijf volgt Daniël, met uitzondering wellicht van Prediker, Ester en eenige psalmen, het jongste boek van het O. T. In 166 of 165 geschreven, diende het om de vrienden der Wet te stijven in hun heldhaftig verzet tegen den Syrischen koning, die hen van hun godsdienst wilde berooven. Het behelst eenige verdichte verhalen over den tijd der Ballingschap, in den vorm van voorspellingen in raadseltaal de geschiedenis tusschen dien tijd en de dagen des schrijvers, en de aankondiging der stichting van het Godsrijk binnen drie jaar. Zulk een geschrift,, een uitwas van het profetisme, noemt men een „openbaring". Wij hebben verscheidene dergelijke uit Jodendom en Christendom. Het laatste boek van het N. T. behoort er eveneens toe.

Ten slotte krijgen wij nog Ezra en Nehemja, door de Joden als éen boek beschouwd, waarin de wording der Joodsche Gemeente wordt beschreven, en Kronieken. Hierin wordt de geschiedenis van Israël — of liever van Juda; want om het rijk der tien stammen bekommert de schrijver zich niet — van Saul tot den terugkeer uit de Ballingschap zoo beschreven als haar verloop volgens den schrijver had moeten zijn, indien zij een waardige voorbereiding was geweest voor het werk van Ezra en Nehemja. Wij leeren er dus niet de oudheid uit kennen, maar wel den tijd des schrijvers, het midden der derde eeuw.

Deze boeken — volgens de Joden 22 in getal: Samuel, Koningen en Kronieken waren niet in tweeën gedeeld — werden niet altijd in dezelfde orde opgenoemd. Men bedenke dat men ze oudtijds gemeenlijk niet — als bij ons — in