Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na Chr., hebben de Joodsche geleerden klankteekens uitgedacht en die in de handschriften hunner Heilige Schrift op of onder de medeklinkers gezet. Daar zij angstvallig letter voor letter den eenmaal vastgestelden tekst bewaarden, zetten zij die teekens ook waar de tekst onverstaanbaar is; ook begrepen zij hem soms slecht. De Statenvertalers zagen dit niet in en hielden zich slaafs aan de klankteekens van den tekst, die zij evengoed als de medeklinkers voor Gods woord hielden. De Roomsche geleerden stonden vrijer tegenover het vraagstuk. In onzen tijd weet men te goed dat de klinkers ons niets anders leeren dan hoe de schriftgeleerden den tekst begrepen dan dat wij ons daaraan zouden houden.

Eéne eigenaardigheid van dien Hebreeuwschen tekst moeten wij nog in oogenschouw nemen, ook tot recht verstand van de uitgave waarvoor deze inleiding bestemd is. De naam van den god van Israël wordt geschreven met de vier letters j h w h. Zeker reeds een paar eeuwen voor Chr. werd het voor ongeoorloofd gehouden dien naam uit te spreken. Dientengevolge is hij in den Hebreeuwschen tekst op enkele plaatsen door „De Heer" vervangen; maar op verreweg de meeste is hij blijven staan. Toen nu de schriftgeleerden op de letters van den heiligen tekst klankteekens plaatsten, mochten zij dit niet doen op die van den godsnaam. Waarschijnlijk wisten zij zelfs niet meer, hoe die uitgesproken moest worden. Men las in de synagogen in plaats van den Naam: „De Heer", of, als dit voorafging: „God", en zette de klinkers van het Hebreeuwsche woord dat „De Heer" (Edonai) of van het woord dat „God" beteekent (Elohim) op de vier letters; zoodat er Jehowa of Jehowi schijnt te staan. De eerste naam, die verreweg het meest voorkomt, wordt in den vorm Jehova in stichtelijke boeken vaak gebruikt ; maar de vertalers hebben geweten dat dit het gevolg is van een misverstand en vervingen daarom den naam door „De Heer". Reeds de Grieksche vertaling geeft hem zoo weer. De schriftgeleerden die in plaats van den ouden, verboden naam „De Heer" of „God" lazen konden dit doen omdat voor hen de god die door jhwh werd aangeduid de eenige God was, de Onzienlijke en Almachtige, Schepper van hemel en aarde, die Israël tot zijn erfdeel verkozen had. Zij stietten er zich niet aan, dat daardoor van God, vooral in de oudere verhalen, maar ook in de jongere, vaak het 25

Sluiten