Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wat een voorrecht, dat wij, zoo schuldig als we zijn, zoo melaatsch van het hoofd tot aan den voetzool, door Uwe genade bijna vijftig jaar in Uw koninkrijk mochten werkzaam zijn. Tegenover al het goede wat Gij hebt gegeven, tegenover al dien schat van weldaden en zegeningen, altijd hebben wij moeten zeggen: treed niet in het gericht, want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Dat zij ook nu onze erkentenis.

Want we weten het toch, dat Gij een gaarne vergevend God zijt in Christus Uwen Zoon. Gij hebt het ons geleerd, reeds in onze jeugd: alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Dat is balsem voor het hart, dat is vreugdevol voor het gemoed, dat Gijzelf Uwen Zoon gegeven hebt, het afschijnsel Uwer heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Uwer zelfstandigheid.

Wij belijden ootmoedig en oprecht onze zonden; onze zonden van bedrijf, onze zonden van nalatigheid. Want wij hebben niet kunnen beantwoorden aan Uwen eisch. Daarom nogmaals: treed niet in het gericht, zijt ons genadig; want dit weten we toch, dat in het bloed van Christus vergiffenis van zonden is.

Laat dit uur door U gezegend worden. Mocht het voor dezen en genen, die van U vervreemd, nog nooit de toevlucht tot Christus nam; die nog nooit gekomen is tot het bloed der verzoening; laat het voor hem eene gezegende ure zijn. Heere Jezus, wij zullen van Uwe komst spreken; die heerlijke komst, zoo vol blijdschap voor het hart dat U kent; maar zoo ontzettend voor hen, die U niet kennen. Trek dan zondaren, breng ze toe, beschaam den vorst der duisternis en laat Uw dienstknecht en Uw volk zich mogen verblijden; om nog eens te kunnen zeggen: deze en die is aldaar geboren; de Heere heeft een pijl van genade in het hart geschoten, zoodat ze op de borst slaan: O God! wees mij arme zondaar genadig.

God, de Heilige Geest, Gij kunt het wel zóó zegenen en het in het harte planten, dat het benedenwaarts wortelen schiete, en opwaarts vruchten drage, hetzij dertig-, hetzij

Sluiten