Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare ontdekkingen en uitvindingen, haar vlucht van geest en hand zou in staat zijn, mits men brak met de waarheid, welke uit God is, — aan den worstelenden, naar troost en rust dorstenden mensch aan te bieden voorspoed en welvaart, vrede en vreugd, een paradijs op aarde.

Maar die eeuw is geëindigd met een volslagen bankroet. Hare beloften zijn niet vervuld, ze heeft niet beantwoord aan de verwachtingen, welke men van haar had gekoesterd. Haar wetenschap en kunst, staatkunde en maatschappelijk leven, haar wijsbegeerte en levensvormen, zij hebben ons geen rust, geen vrede, geen verlossing kunnen brengen. Meer dan ooit te voren, roept men: wij wandelen in raadselen; in allerlei kringen vindt men het leven, ook te midden van de schatten onzer eeuw, eenvoudig vervelend. Radicalisme en Socialisme kwamen op. Teleurstelling dat was het resultaat van haar beginsel des leugens. Want alleen God en Zijn vrede geeft voldoening aan het gemoed. Maar hebben zij „des Heeren Woord verworpen" dan is ook altijd de vraag: „wat wijsheid zouden zij dan hebben?" En gekroond wordt dit proces in de wanhoop, welke nu het arme evangelie is dat de wereld kan aanbieden.

Op den drempel der 205te eeuw zien we het Pessimisme zijn triumfen vieren. Onze litteratuur, in proza en poëzie, loopt over van jammerklachten over wat genoemd wordt de „wereldsmart"; de wijsbegeerte heeft de wanhoopsleer verheven tot een stelsel niet slechts, maar haar als hoogste goed in deze smart aangeboden. De zelfmoord is aan de orde van den dag. Het: „laat ons eten en drinken" heeft men vervangen door een nog erger: „waarom zullen we eten en drinken, de dood is beter dan het leven."

Tegenover dezen drievoudigen jammer der wereld: leugen, teleurstelling, wanhoop, staat nu de rijkdom der kinderen van God, in het tegendeel dezer drie.

Zij treden op met de waarheid, die uit God is.

Dat is: bij de erkenning van God als God, zien ze zich zelf in dat licht der waarheid als mensch, dat is in afhankelijkheid van God; als zondaar, dat is in hun verdoemelijkheid voor God, die niets hebben, en niets vermogen„uit zichzelf. Die dus ook niets wenschen op te bouwen op het veronderstelde goed zijn van het schepsel. Wie God heeft, die is rijk, dat is de keerzijde dier waarheid. Hij is de fontein aller goederen. In Hem alleen is voor een mensch de rust te vinden.

Sluiten