Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slaande hand, ook waar die zwaar op ons drukt, leeren ook op donkere wegen met vertrouwen te zeggen: wat God doet, dat is welgedaan.

En als dan het geweten ons aanklaagt en zegt dat wij niet zijn die wij moesten zijn, en een gevoel van groote onvrede over ons komt bij de herinnering aan onze verkeerdheden, dan ontsteekt Gods woord ook in die duisternis het rechte licht op ons pad. Wij zouden bij eenigen ernst al spoedig trachten zelf die schuld te verzoenen en uit te wisschen door een beter leven, door oprecht berouw, door goede voornemens, gelijk dat door alle eeuwen en onder alle volkeren te vergeefs is beproefd met offers en goede werken en ceremoniën — maar er zou daarmede geen diepe groote vrede over ons komen. Het zou donker en onrustig blijven in ons binnenste. Wij zouden niet het besef verwerven dat onze zonden vergeven zijn, de wetenschap dat alles hersteld en in orde is. Maar nu komt Gods woord en zegt ons, dat wat alle offers en goede werken samen, wat alle krachtsinspanning van menschen niet te weeg kan brengen, God zelf dat gedaan heeft, door Zijn Zoon in de wereld te zenden; dat Hij zelf de zonde verzoend, de schuld heeft weggenomen, door Jezus Christus, die voor ons stierf aan het kruis. En als dat wordt geloofd, komt er licht op ons pad; de duisternis van onvrede en tweespalt verdwijnt; blijdschap en zaligheid maken woning daar binnen; „de hemel gaat op uit Gods woord in onze ziel."

Maar nog andere duisternissen omgeven ons pad, duisternis van verzoeking en strijd, die er in onzen tijd vooral niet minder op worden. Daar is een anti-christelijke geest, die beweert dat het onderscheid tusschen goed en kwaad betrekkelijk is, afhangt van den toestand eener steeds wisselende maatschappij; dat wij ons aan een toevallige zedewet niet hebben te storen, maar een mensch het best

Sluiten