Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij r.eeds vóór het uitspreken der echtscheiding van zijne ouderlijke macht worde ontzet. Ook met het oog op een mogelijk huwelijk der minderjarige kinderen is deze ontzetting gewenscht. (Art. 92 B. W.) Is eenmaal de echtschéiding een feit en berust de voogdij bij de moeder, dan kan natuurlijk van ontzetting van den vader geen sprake meer zijn, want het is niet mogelijk iemand te ontzetten van een macht, die hij niet bezit, ja die in het geheel niet meer bestaat, want bij de ontbinding van het huwelijk eindigt de ouderlijke macht, (Art. 354 B. W.)

Is echter de ontzetting vóór de echtscheiding verzuimd, of zijn de redenen, die haar zouden wettigen, eerst na de echtscheiding ontstaan, dan kan, zoolang de moeder leeft, niets worden gedaan om de latere voogdij van den vader te voorkomen.

De eenige uitweg in zoodanig geval is, dat zij, die in het lot der kinderen belang stellen, zoodra de moeder gestorven is, zich wenden tot den Officier van Justitie, opdat deze gebruik make van zijne op bladz. 18 omschreven bevoegdheid, om de kinderen te onttrekken aan de macht, die hen zou ten gronde richten.

Het is duidelijk, dat precies hetzelfde geldt, waar de vader met de voogdij was belast, en de voogdij der hem overlevende moeder een gevaar voor de kinderen zou worden.

Zoowel bij echtscheiding als bij scheiding van tafel en bed, kan door den Rechter een som worden vastgesteld, die door elk der ouders zal worden afgedragen voor de opvoeding en het onderhoud der kinderen.

Deze bedragen worden ontvangen door den Voogdijraad, die voor uitkeering aan de rechthebbenden zorg draagt. (Arten 261a, 2856, 285c, 285<i, 301 B.W.)

Deze machtige hulp van den Voogdijraad kan niet worden verleend tot inning der onderhoudsbijdrage, waartoe een man is verplicht, krachtens voorloopige beschikking van den President der Rechtbank, nadat door de vrouw een verzoek tot echtscheiding is ingediend. (Art. 820 W. B. R. V.)

Wel gelden ook hier de bepalingen van Art. 374ebis B.W.,

Sluiten