Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prof. Treub vond het wel goed hun iets meer te geven, dan den niet-verzekerden, maar niet zooveel, als zij die recht op uitkeering uit eene werkloozenkas hebben.

Door meer dan een der aanwezigen werd opgemerkt, dat er reeds nu steun-comité's zijn, o.a. te 's Gravenhage, Amsterdam, Haarlem, d e aan verzekerden reeds een of anderen bijslag geven.

Dit gaf ondergeteekende aanleiding te doen opmerken, dat de W. R. gaarne een geheel overzicht van de plaatselijke regelingen in dit opzicht zou willen hebben.

De heeren De Vooys en Zaalberg gaven te kennen, dat waarschijnlijk bij het K. N. S. geen bezwaar zou bestaan hiervan inzage te verstrekken aan den W. R.

Prof. Nolens bracht nu ter sprake op welke wijze aan verzekerden, die een wachtgeld ontvangen, een voordeel kon worden verstrekt.

Prof. De Vooys meende, dat indien het wachtgeld ging boven een zeker bodrag, geen toeslag meer moest worden verleend ; bleef het beneden een zekere grens, dan zouden de verzekerden nog een toeslag kunnen bekomen.

Prof. Nolens vroeg, door wien die toelsag zou moeten worden verstrekt.

De heeren van het K. N. S. oordeelden, dat die toeslag moest komen uit de werkloozenkas.

Ondergeteekende bracht in het midden dat den verzekerden a;tijd een toeslag moest worden verleend.

Hiermede konden de andere heeren zich niet vereenigen.

Zij wezen erop, dat de werkloosheidsverzekering tot doel heeft te verzekeren tegen de geldelijke nadeelen van gedwongen werkloosheid, en dat als die nadeelen er niet zijn, omdat het wachtgeld zoo hoog is, er geen uitkeering behoeft plaats te hebben.

Ondergeteekende wees erop, dat er dan op aangestuurd kon worden het wachtgeld niet zoo hoog te stelleai, zoodat er nog geschikt een bijslag kon worden verstrekt.

De heeren Treub en De Vooys waren hiertegen, omdat er niet kunstmatig moet worden aangestuurd op het geven van een toeslag, en het voor de kassen toch voordeelig is, als zij niet behoeven uit te keeren.

Prof. Nolens deed opmerken, dat dan in de reglementen van de kassen een bepaling zou moeten worden opgenomen, dat indien een „garantieloon" zou worden verstrekt beneden een zeker bedrag, de kas nog uitkeering zou mogen verschaffen. Hij wilde toch liever spreken van garantieloon dan van wachtgeld om duidelijk te doen uitkomen, dat de arbeider beschikbaar blijft en dus het dienstverband niet verbroken wordt

Ondergeteekende wees er nog op, dat dan leden van eenzelfde kas zeer verschillend behandeld zullen worden. Bijv. indien een werkgever in een zekere gemeente in een bepaalde industrie een wachtgeld uitkeert en een andere werkgever

Sluiten