Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 51a —

en te dier plaatse wordt gebezigd in den zin van „lid der rechterlijke macht".

Daar nu, naar hare opvatting, de in art. 51 vermelde ambtenaren geene leden van de rechterlijke macht zullen zijn in den zin, waarin deze uitdrukking in de Grondwet en de wet op de Rechterlijke Organisatie wordt gebezigd, zou het behoud der woorden „rechterlijken ambtenaren" in den ambtseed reden tot .verwarring kunnen geven. Men zou licht geneigd zijn, deze in denzelfden zin te verstaan als bedoeld in art. 29 der wet op de Rechterlijke Organisatie.

Art. 51a. Op de plaatsvervangers bij den Centralen Raad van beroep vindt het omtrent de leden in de artikelen 43, 44, 46 tot en met 51 bepaalde overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. buiten toepassing blijven de artikelen 15 en 16, eerste lid, der wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie;

b. dat in geval van afwezigheid, belet ■of ontstentenis van een lid, dit vervangen wordt door den plaatsvervanger, die beschikbaar is.

Dit artikel is ingevoegd bij de wet van 26 Juli 1918, S. 494, tot instelling eener bijzondere rechtspraak in distributie- en andere crisiszaken. Zie de aanteekening op artikel 42.

TITEL II.

Van de wijze van behandeling der

twistgedingen bij de toepassing der Ongevallenwei 1901 ontstaande.

HOOFDSTUK I.

Algemeene bepalingen.

Art. 52. In het twistgeding, door het instellen van beroep tegen eene beslissing van het bestuur der Rijksverzekeringsbank ontstaan, vormen het bestuur der Rijksverzekeringsbank, en ieder, die beroep heeft ingesteld, de partijen.

Sluiten