Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toegekend. Aan die bij de aanstelling verkregen wedde is de bij het vorig lid bepaalde diensttijd verbonden voor het verkrijgen van verdere weddeverhooging.

De jaarwedde van de rijksklerken van de eerste klasse bedraagt f 900 en wordt verhoogd na een diensttijd als rijksklerk van deze klasse van :

2 jaar tot op f 1000;

4 . . . . . 1100;

6 jaar tot op f 1200 ;

8 1300;

10 1400;

12 1500.

In bijzondere gevallen kan deze laatste wedde, na een diensttijd van ten minste 14 jaar, trapsgewijze verder verhoogd worden tot op f 1800.

Gaat de benoeming in op een andere dan den eersten dagjyan een kalenderkwartaal, dan worden de gestelde tijdvakken geacht aan te vangen met den eersten dag van het onmiddellijk daarop volgende kwartaal.

Voor de toepassing van dit artikel worden als diensttijd mede aangemerkt dienstjaren, onderscheidenlijk als tweede of eerste klerk bij den Centralen Raad van Beroep of een raad van beroep vóór 16 Juli 1917 vervuld. 1

72 d. Aan de rijksklerken bij den Centralen Raad van Beroep en dë raden van beroep te Amsterdam en te Rotterdam, door Onzen Minister van Justitie als bureelchef aangewezen, kan eene toelage worden verleend van ten hoogste f 250.

72e. De bevordering tot rijksklerk der eerste klasse kan geschieden, nadat de beambte gedurende ten minste 6 jaren pis Rijksklerk der tweede klasse is werkzaam geweest. Is hij langer dan 6 jaren werkzaam geweest, dan wordt hem bij zijne bevordering toegekend de jaarwedde der eerste klasse, in bedrag volgende op het bedrag der jaarwedde door hem in de tweede klasse verkregen.

Aan de bij de bevordering verkregen jaarwedde is, ter verkrijging van verdere wedde-

1 De bepalingen van dit artikel zijn afgeschaft bij artikel 44 van het sedert gewijzigde besluit van 3 September 1918, S. 541 (Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren). Zie de schalen 25 en 50 van de bij dat besluit behoorende bijlage A.

Sluiten