is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 8sten December 1902, S. 208, zooals die wet gewijzigd is bij de wetten van 5 Juni 1905, S. 161, 1 Juli 1909, S. 250, 28 December 1911, S. 374, 1 Mei 1917, S. 358 en 26 Juli 1918, S. 494 tot uitvoering van art. 75 der Ongevallenwet 1901 (Beroepswet)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij WILHELMINA, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 13 Augustus 1918, Afdeeling A. S-, n°. 646 ;

Den Raad van State gehoord (advies van 27 Augustus 1918, n°. 57 ;

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 30 Augustus 1918, Afdeeling A. S., n°. 687 ;

Hebben goedgevonden en verstaan : Gerekend met ingang van 1 Januari 1918 te bepalen als volgt :

Art. 1. De aanvangsjaarwedden van de leden en den griffier van en de substituutgriffiers bij den centralen raad van beroep en van de voorzitters en de griffiers van de raden van beroep worden vastgesteld als volgt :

Centrale raad van beroep :

Voorzitter f 6500 ;

Onder-Voorzitter 6000 ;

Lid 5500 ;

Griffier 4000 ;

Substituut-Griffier .... 2500. Raden van beroep te Amsterdam en te Rotterdam :

Voorzitter f 5000 ;

Griffier 3500.

Overige raden van beroep :

Voorzitter f 4500 ;

Griffier 3000.

2. De aanvangsjaarwedden van de in artikel 1 genoemde ambtenaren worden voor iedere 5 jaren, welke zij in een of meer der daar bedoelde of rechterlijke betrekkingen werkzaam zijn of geweest zijn, met f 500 verhoogd. De verhooging bedraagt in het geheel: f 1000 voor de ambtenaren met eene aanvangswedde van minder dan f 3000; f 1500 voor de overige ambtenaren. Als diensttijd telt ter berekening van de wedde ook mede de tijd, gedurende welken een der in artikel 1 genoemde ambtenaren met eene der in dat artikel bedoelde betrekkingen tijdelijk is belast geweest.

Indien de aanspraak op eene verhooging op eenen anderen dag dan den eersten dag eener kalendermaand ontstaat, wordt zij geacht ontstaan te zijn op den eersten dag van de onmiddellijk daarop volgende maand.