Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 21

die onder b het geval behandelde van de aanwezigheid van een persoon, wiens naam niet in de vergunning vermeld is, en die onder c van de aanwezigheid van een grooter aantal personen dan krachtens de vergunning geoorloofd is.

De in het V. V. geuite meening, dat de bepaling onder b te streng was, omdat het toegelaten moet worden, een zwerver of een kind, dat dakloos is, voor een enkelen nacht op te nemen, beantwoordde de Minister bij M. v. A. met een beroep op het bij ons geldende opportuniteitsbeginsel, volgens hetwelk in een geval als het genoemde eene strafvervolging stellig achterwege zal blijven. Daarbij komt, dat, wanneer het maximum aantal bewoners nog niet bereikt is, de houder der vergunning aan den burgemeester der gemeente, waar hij zich tijdelijk bevindt, aanvulling der vergunning met den naam van een nieuwen 'persoon kan verzoeken.

Intusschen zijn, om redactioneele redenen,, nog bij nota van wijziging de litt. 6 en c samengevoegd tot de tegenwoordige litt. b.

Blijkens de M. v. A. moeten ook de opvolger van den houder, in art. 9 aangeduid, en de tijdelijke houder van art. 14 als „houder" in den zin van de overige artikelen der wet worden beschouwd.

Art. 21. Met geldboete van ten hoogste drie honderd gulden of hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft hij, die in een woonwagen of een woonschip woont of daarin nachtverblijf houdt, zonder dat in dien woonwagen of dat woonschip op duidelijk waarneembare wijze is opgehangen de voor het gebruik van dien woonwagen of dat woonschip verleende vergunning.

„De hier voorgestelde strafbepaling beoogt hoofdzakelijk hen te treffen, die in een woonwagen of een woonschip verblijf houden, waarvoor in het geheel geen vergunning is verleend of waarvoor een eenmaal verleende vergunning niet meer geldend is.

Sluiten