Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

A. ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.

Wanneer men de door meling, berekening en verkenning van het terrein verzamelde gegevens wil gebruiken, om het beeld van een kleiner of grooter deel der aardoppervlakte te ontwerpen, doet zich het bezwaar voor, dat de aarde een bol is en hare oppervlakte derhalve tot die wiskundige vlakken behoort, die niet volkomen nauwkeurig, ja feitelijk in het geheel niet in een plat vlak ontwikkeld kunnen worden. Alleen wanneer een zeer klein gedeelte der aarde moet worden afgebeeld, b. v. de platte grond eener stad, kan men dat als een plat vlak beschouwen en behandelen. Geldt het daarentegen de voorstelling van een land, een werelddeel of onze geheele planeet, dan kan zulks alleen op een globe volkomen juist geschieden, afgezien natuurlijk van den verkleinden maatstaf. Op een globe stemt n. 1. het beeld overeen met het origineel wat hoeken, lengteafmetingen en oppervlakte of inhoud betreft, het bezit hoek-, - lengte- en inhoudsgelijkheid of voldoet, om de vreemde uitdrukkingen te bezigen, aan de eischen der conformiteit, equidistanlie en equivalentie. Het vervaardigen van groote globes is echter zeer moeilijk en kostbaar, terwijl zij daarenboven lastig te hanteeren zijn; vandaar dan ook dat globes van meer dan 1 Meter doorsnede tot de zeldzaamheden behooren. En zelfs bij zulke afmetingen kunnen er slechts weinig bijzonderheden van (fe verschillende deelen der aardoppervlakte op weergegeven worden. Dientengevolge heeft men sedert de oudste lijden behoefte gevoeld aan afbeeldingen op een vlak, kaarten geheeten, en voortdurend naar methoden gezocht, om deze nauwkeurig te kunnen teekenen ('). Fouten zijn daarbij onvermijdelijk en

(') Als grondlegger der wetenschappelijke kaartprojectie-leer moet Eratosthenes te Alexandrieë (276—195 v. Chr.) beschouwd worden. Hij voerde een door lengte- en breedtecirkels gevormd net van veelhoeken in, volbracht de eerste graadmeting en ontwierp twee verschillende projectiemethoden.

Het hoogtepunt bereikte de kartographie in de oudheid door de werkzaamheid van Claudius Ptolemaeus te Alexandrieë (waarschijnlijk van 87—150 na Chr.); in een van zijn boeken ontwikkelt bij de beginselen der wiskundige aardrijkskunde, alsmede de grondslagen van verschillende projectiemethoden.

In later tijd traden op kartographisch gebied bijzonder op den voorgrond Gekard Kremer, meer bekend onder den naam Mercator (1512—1594), Johan Hendrik Lambert (1728—1777), Carel Frederik G-auss (1777—1855) en M. A. Tissot; deze laatste met zijn baanbrekend werk: „Mémoire sur la représentation des surfaces et les projections des cartes geographiques" 1881.

Sluiten