Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

These are more things in heaven and earth, Horatio,

Than are dreamt of in your philosophy,

zegt Hamlet nadat de geest zich aan hem heeft geopenbaard.

Deze woorden zijn kenschetsend voor de geheele, door Shakespeare ontwikkelde handeling. Zij zijn, zooals we later zullen zien, kenschetsend voor Shakespeare als dramatist, zij staan in het nauwste verband met den bouw van het stuk.

Shakespeare leefde in een tijd, waarin het geloof aan geesten, heksen en tooverij nog niet van de lucht af was. Aan de gevoeligheid voor het wonderbare bij het publiek, dankt het stuk een wezenlijk deel van zijn succes. Daarom kon Shakespeare den geest als bemiddelaar voor het bovenzinnelijke benutten.

Dit punt moet men goed vasthouden. De Hamlet opent met stemmingsvolle geestesscènes. Het fond is er een van bovennatuurlijkheid. De zwaar geladen atmosfeer is vol van een geheimzinnige, onrustbarende spanning.

Die spanning deelt zich aan de wachters op het terras mede. Het is een wonderlijke tijd. Er gebeuren geheimzinnige dingen. Het krijgsvolk is verontrust. Horatio aan wien de geest is verschenen, voorspelt „strange eruption" voor den Staat. De jonge Fortinbras bedreigt de streek. Al het volk, geprest tot nacht- en dag-arbeid en zonder Zondagsrust, stapelt het oorlogsmateriaal tot aan de wolken, de verscherpte wachten maken de ontroering nog grooter. Het is alsof de boosheid en de argwaan zich zelf wapenen, en Horatio meldt:

Een spooksel is 't, om geestesoog te verontrusten.

in Rome, toen zijn roem in 't toppunt was.

Kort voor den val des grooten Julius, stonden De graven leeg, de omhulde dooden kreten En krijgschten aak'lig schril door Rome's straten;

En juist zulk vrees'lijk voorspel van wat dreigt, —

Als boden, die het komend lot verkonden,

En voorspook van wat schrikwekkend naakt, —

Heeft aarde en hemel thans vereend getoond

Aan onze hemelstreek en landgenooten:

Een ster met vuur'gen staart, bedauwd met bloed,

De zon met vlekken; en het bleek gesternt'

Dat door zijn macht Neptunus' rijk beheerscht,

Kwijnde als voor de' oordeelsdag en werd gedoofd; —

(Buroersdijk).

Zulk een tijd is het, waarin de graven hun prooi uitwerpen. Ln niet zonder zin, wordt hier, zooals we zullen zien aan den eenmaal tot verderf geraakten Romeinschen staat herinnerd.

Sluiten