Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werk over a Lasco voortgezet. In 't laatst van '68 ben ik naar Utrecht gegaan, en daar ben ik toen gebleven tot in 't midden van '70. En toen ben ik tot '74 predikant geweest in Amsterdam. Toen heb ik mijn ontslag gevraagd, omdat ik Kamerlid was geworden in Gouda . . ."

„Kende u toen Groen al, professor?"

„Zeker, al van '69 af. Toen heb ik hem voor 'teerst gezien, in Utrecht, bij 'n bidstond, die ik daar hield; die heeft me toen wel gelanceerd in Gouda, denk ik . . . In Februari van '76 ben ik ziek geworden, hard ziek; ik was radicaal op, ik kon geen briefkaart meer schrijven. Toen heb ik 'n jaar door de Riviera gezworven. Die ziekte heeft nog zeven jaar nagewerkt. De doctor zei: „In zeven jaar krijg je 'n nieuw zenuwweefsel; dan ben je er af'. En zoo is het ook gegaan. Toen ben ik Kamerlid gebleven, en hoogleeraar aan de Vrije. Toen ben ik naar het Torentje gegaan in 1901, als minister, en in 1905 op reis ... En

dat is nou alles . .

Dat was nou . . . alles. Het klonk als 'n ironie . . . Zijn wij, gewone menschen, die 'n léven noodig hebben, om n klein doel te zien slagen, in het gunstigste geval, dan ganschelijk onmachtig? . • . Dat was nou alles!

„Maar professor!", zei ik, „lijkt u dan al die arbeid, die

achter u ligt, niet als 'n berg?"

„Och, wel nee! Het lijkt zoo eenvoudig, en 't is alles zoo natuurlijk gegaan. Ik ben pas aan het begin van hetgeen ik zou willen doen . . ."

En werkelijk, zooals hij daar stond, stoer en krachtig, en met den arendsblik vol onsterfelijke wilskracht, zag hij er uit als 'n strijder, die z'n éérste voorbereidingen heeft getroffen, en nu z'n levenstaak aanvaarden gaat. En terwijl ik hem zoo aanstaarde, viel het me in ééns op, hoe modieus hij gekleed was, met 'n gekleurd vest, 'n groene plastron, en 'n diamanten dasspeld . . .

Sluiten