Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan ook, vergt van het individu offers. Alles hangt hier af van de beantwoording der vraag of men tegenover den staat en de gemeenschap het recht op persoonlijkheid van den enkeling erkent of men aan staat en individu elk een eigen 1—• gelijkwaardig —- levensdoel toekent. Zoo ja, dan mag men van den laatste niet eischen, dat hij bij rechtsconflicten zich zonder meer bij de uitspraak van het handelende overheidsorgaan neerlegt. Staan beide gelijk, dan geldt voor beide gelijkelijk de eisch boven zich de heerschappij van het recht te erkennen. Zij brengt mede eene rechtswaardeeimg van beider belangen, afgewogen bij conflict in concreto door een onpartijdig rechter. Is die tegenstelling juist, dan is ook, met de komst der democratie, de tegenstelling vorst-volksveitegenwoordiging niet opgeheven ; zij is met die woorden slechts oppervlakkig aangeduid, heeft thans eene andere gedaante aangenomen, maar is in den kern gebleven, wat zij was : die van gemeenschap en individu.

§ 7. AFPALING DOOR DE WET VAN DE BEVOEGDHEDEN VAN ADMINISTRATIE EN RECHTER.

Een punt, waaraan in de litteratuur over administratieve rechtspraak een ruime plaats wordt gewijd, is de juiste afpaling van de bevoegdheden der administratie eenerzijds en die van den administratieven rechter anderzijds. In het verslag der staatscommissie ontmoetten we reeds het verschil tusschen instructie- en waarborgnormen, waarvan alleen de laatste tot den rechter konden spreken. Op den grondslag van den rechtstaat bleken die moeilijkheden niet te bestaan. De rechter toetst de aangevallen overheidsgedraging aan de wet. De door haar aan de administratie gelaten vrijheid blijft zoodoende volkomen geeerbiedigd, en op meer kan zij geen aanspraak maken. Geheel in die lijn wilde het ontwerpLoeff eene algeheele bevoegdheid vestigen om tegen bepaalde overheidsgedragingen in beroep te komen op grond van schennis van publiekrechtelijke wetten of wettelijke voorschriften.

Diezelfde gedachte was terug te vinden in het regeeringsontwerp op de distributierechtspraak. Het wilde (art. 1) aan de bijzondere gerechten het oordeel opdragen over de wettigheid van de in § 2 nader omschreven overheidsgedragingen. Maar dit riekte der Tweede Kamer al te zeer naar bloot formeele

Sluiten