Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met inachtneming van den aangegeven voorrang gelijktijdig geschieden, doch alsdan slechts na twee met een tusschenruimte van vijftien dagen op elkander volgende bekendmakingen, op de wijze, in de vóórgaande alinea's aangegeven.

(5) Bij inbeslagneming, uitsluitend van onroerende goederen, worden de in de vóórgaande alinea genoemde formaliteiten op den verkoop daarvan toegepast.

(6) De rechten van den geëxecuteerde op de verkochte onroerende goederen gaan, krachtens de toewijzing daarvan aan den kooper, op dezen over, zoodra hij aan de voorwaarden van den koop heeft voldaan. Van die voldoening zal hem door het Vendukantoor dan wel door den ambtenaar of beambte, met den verkoop belast, een schriftelijk bewijs worden ui tgereikt. (Stb. 1913 n°. 384 art. Ic).

(7) Indien de geëxecuteerde weigert het onroerend goed te ontruimen, vaardigt de president van den Landraad of de gedelegeerde Magistraat een schriftelijken last uit op een tot het doen van exploiten bevoegd persoon om, bijgestaan als bij het vorig artikel voor het leggen van beslag is voorgeschreven, desnoods met behulp van den sterken arm, het goed door den geëxecuteerde met de zijnen en het zijne te doen ontruimen en ledig te maken. (Stb. 1913 n°. 384 art. Ic).

Art. 107. De tenuitvoerlegging van uitspraken, strekkende tot betaling eener som, het bedrag van ƒ 50.—, ongerekend de proceskosten, niet te boven gaande, heeft plaats zonder voorafgaande aanmaning. De inbeslagneming en de verkoop der roerende goederen geschieden alsdan op de wijze, bij de artikelen 36 tot en met 41 voorgeschreven, met dit onderscheid, dat zij door den president van den Landraad worden opgedragen aan den Magistraat, die daarmede het Districtshoofd of een Hoofd der natie van dengene, tegen wien de tenuitvoerlegging moet geschieden, of, bij ontstentenis van zoodanig Hoofd, een anderen daartoe door hem aan te wijzen niet-Europeeschen beambte kan belasten, behoudens zijne verplichting om

I. R. 203 a

Sluiten