Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV. Spoed verlossing.

Onder den naam van spoedverlossing1) verstaat men het tot een einde brengen der baring, bij nog zeer geringe ontsluiting. Het naar buiten halen van het kind geschiedt daarbij ten slotte op een der later te bespreken wijzen, aan het hoofd door middel van de tang, of aan de voeten door manueele extractie. Wat dus een forcipale of manueele extractie stempelt tot een deel van de spoedverlossing, is de aan de extractie voorafgaande kunstmatige, snelle, zoo men wil gewelddadige verwijding van het ostium uteri.

Dat een dergelijke gewelddadige verwijding van het ostium en van liet halskanaal der baarmoeder in het algemeen voor de vrouw niet wenschelijk is, spreekt wel van zelf. En daaruit volgt, dat de spoedverlossing behoort te blijven eene zeldzame operatie, zooals zij is.

Indicaties. De algemeene indicatie voor de spoedverlossing luidt als volgt: overal daar, waar de weeënwerkdadigheid het ostium, hetzij voor de moeder of voor het kind, niet snel genoeg dilateert, is kunstmatige verwijding aangewezen. Doch dan dient er onmiddellijk het voorbehoud bij gemaakt te worden, dat de kunstmatige verwijding niet aan de andere zijde te groote gevaren met zich brenge. En inderdaad heeft deze restrictie zoo groote beteekenis, dat er slechts enkele

*) P. van Oordt. Dilatatie van het cervikaalkanaal ter spoedverlossing. Diss. Amsterdam 1901.

Sluiten