Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de kliniek gebruik maakt van te gevoelige, te delicate onderzoekingsmethoden; de een prijst, wat de ander wijst en omgekeerd, dat wil dus zeggen: men doet verstandig, om aan het ziekbed op de verkregen resultaten niet al te zeer te vertrouwen, en bij het stellen der diagnose en der indicatie alle gegevens behoorlijk te overwegen. Der verleiding, om hier een kleine bloemlezing uit de literatuur weer te geven, waaruit de waarde van dit beginsel blijkt, zal ik weerstand bieden.

Er rest ons nog met een enkel woord te gewagen van de methode van W o h 1 g e m u t h x), ter bepaling van het functievermogen der nieren. Toen de onderbinding der afvoerbuizen van het pancreas bij het konijn hem had geleerd, dat de beide nieren dezelfde hoeveelheid diastase uitscheidden, bepaalde hij het diastasegehalte in de met den ureterkatheter ontlaste urine van elke nier afzonderlijk. Op grond van zijn onderzoek, verricht bij 50 peisonen, deels met zieke, deels met gezonde nieren, kwam hij tot het resultaat, dat de uitscheiding van diastase aan de zieke zijde steeds later komt en minder intensief dan aan de gezonde zijde is; hij stelt zijne methode dan ook op één lijn met de zooeven vermelde phloridzineproef en met de kryoscopie van het bloed. Voor zoover mij bekend, zijn met deze methode nog weinig onderzoekingen verricht, zoodat haar waarde nog niet kan worden bepaald. Of de menschen met gezonde nieren, die als proefobject dienst hebben gedaan, van dit onderzoek bijster gediend waren, blijft eveneens in het midden gelaten; doch het is te voorzien, dat deze methode ook wel haar gebreken zal hebben. Ik zou althans niet gaarne willen bouwen op zulk een delicate onderzoekingsmethode en liever willen steunen op de resultaten van meer beproefde en eenvoudiger methoden van onderzoek.

Volledigheidshalve noem ik ten slotte nog de methode der electrolytische dissociatie, die o.a. berust op het uiteenvallen der mole-

') J. Wohlgemuth. Eine neue Methode zur Priifung der Nierenfunction. Berl. klin. Woch. 1910. n°. 31.

Sluiten