Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Estius er bij, niet wist, of hij dien nog wel levend zou verlaten. Bondig en krachtig grijpt hij de dwaling aan, en bewijst den ketters, hoe hunne leer onmogelijk de ware kan zijn, vooral omdat zij onderling omtrent de leer verdeeld zijn en geen goddelijke zending kunnen toonen. „Nauw was dat zoogenaamd hervormd christendom eenige dagen oud, zoo betoogde hij, of reeds werd het in verschillende secten verscheurd, die elk wat anders, en onderling met elkander strijdige geloofspunten verkondigden. Laat die apostelen van het nieuwe evangelie eerst eens beginnen met het onder elkander eens te zijn en zich te verstaan omtrent de nieuwe geloofsbelijdenis, die zij der wereld willen opdringen: en dan kunnen wij die belijdenis onderzoeken. Maar in wiens naam verkondigen zij die leer ? Wie heeft hen gezonden? Van wien hebben zij hunne zending? Zij beweren, dat zij die rechtstreeks van God hebben! Maar wij zijn toch niet verplicht als een afgezant van God aan te nemen den eersten den besten, die zich als zoodanig opdoet! Waar zijn de bewijzen van die buitengewone zending Gods ? Door welke mirakelen bevestigen zij die? Is het niet zonneklaar, dat die opgedrongen apostelen volstrekt geen zending hebben noch van God, noch van het door God verordineerd gezag, en bijgevolg geen recht hebben om gehoord te worden?"

Met zulke eenvoudige en juiste redeneering sloeg hij den tegenstanders de wapenen uit de hand, niemand durfde zich verroeren of ook maar een woord uiten.

Gelijk hij zich niet spaarde op den kansel, zoo ontzag hij ook geen moeite bij het toedienen der H. Sacramenten ; wel noemde hij den biechtstoel, om de vele moeilijkheden er aan verbonden, zijn pijnbank, maar toch zou nooit iemand hem te vergeefs daar vragen. Werd een zijner parochianen ziek, de pastoor was aan-

Sluiten