Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beriep, werd hij, in spijt der bezworen beloften, in den kerker geworpen, en is eerst later daaruit bevrijd.

IV.

|||||p|||||;eel erger ondertusschen was nu reeds het lot der L §evan£en priesters en monniken. In de zaal, waar

zij bijeenwaren, verdrongen zich Watergeuzen en «§5» afvallige Gorcummers, allen op het meest er op belust, hen te bespotten. „Als wij zoo eens in uwe macht waren," riepen zij hun toe, ,,dan zou u niets wreed genoeg zijn om ons te vermoorden! Zeker zoudt gij ons allen op den brandstapel brengen. Nu is aan ons de beurt; bedenkt nu eens, wat wij met u zullen aanvangen." En heiligschennend duwden anderen hun toe: „Ziet ge niet, dat Gods wraak op u rust? Hoe zouden wij anders met zulk een klein getal zulk een sterken burcht kunnen innemen? Een der onzen verslaat duizend der uwen!" Zij bedachten niet, de snoevers, dat niet God, maar het verraad van afvallige burgers hun bondgenoot was. Dan weder zeiden anderen spottend tot hunne lotgenooten: „Weest toch niet zoo kwaad tegen hen: het kan toch nog gebeuren, dat zij tot onze partij overgaan." — „O," was daarop de kreet, „als dat gebeurt, dan zullen wij ze hoog vereeren; dan maken wij dezen tot onzen predikant, en gene krijgt dien post, en die nog weer wat anders!" Bij al die beschimping stond de heilige offerschaar stilzwijgend en geduldig, gelijk eenmaal het goddelijk Lam tusschen zijne beulen. Al de Minderbroeders omgaven hunnen gardiaan, en deze bemoedigde allen door zijn liefdevollen, zachten blik en door zijn voorbeeld. Hij ook moest het eerst van allen

Sluiten