Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mishandelingen konden hem niet verder tot spreken dwingen. Nu sleurden zij ook hem, gelijk zooeven Nicolaas van Poppel, naar de gevangenpoort, maar de moedige man sprak : ,,'t Is niet noodig mij zoo te sleepen ; vrijwillig en gaarne zal ik daarheen gaan." Dan rukken zij hem zijn koord af, trekken ook hem herhaaldelijk aan dien strop op en af, en zoeken ondertusschen naar een spijker om het koord vast te maken; eindelijk vinden zij een eikenhouten pin, maar reeds was door het schuren over den scherpen deurkant het koord zoo ontrafeld en gesleten, dat het brak en met een zwaren, doffen plomp het lichaam op den grond liet vallen. Voor dood lag het daar neder, het hoofd voorover gebogen. De soldaten beuren hem op, en laten den rug tegen den muur leunen, maar slap hangen de handen neer, onbewegelijk is het lichaam als een lijk. Dan, om zich te overtuigen of hij werkelijk gestorven is, schroeien zij hem met brandende kaarsen het voorhoofd, de kruin, de lippen, de wangen, de ooren, de kin, en zelfs door den neus heen branden zijde hersenen. Nog niet genoeg! Met geweld breken zij den mond open, en verbranden tong en gehemelte. En als zij na al die barbaarschheid geen enkel levensteeken bespeuren, schoppen zij met den voet het lichaam weg zeggend: ,,'t Is maar een monnik ; wie zal er naar vragen ?" En met die woorden verlieten zij het kerkerhol.

Nu kwamen de andere gevangenen rondom het lichaam van den martelaar nederknielen. Met wat huivering, maar ook met wat eerbied beschouwden zij dat mismaakt gelaat : overal brandwonden; de wenkbrauwen weggezengd, heel het aangezicht door de vlam geschroeid en zwart geblakerd; de hals opgezwollen en loodkleurig, en door het sterk aangesnoerde koord ontveld en bloedig rood omkringd. Dat was dan hun vader en de trouwe deel-

Sluiten