Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij heeft dien pas gekend, toen zij hem met glorie en eere gekroond in den hemel terugzag.

Toen Leonardus nog een weinig talmde, sprak hem aanstonds Godfried van Duijnen : „Meester Leonardus, waarom niet met sneller schreden naar het ons bereide bruiloftsmaal ? Want heden zullen wij met God en het Lam aanzitten in den hemel." En ook Leonardus werd door de koord van adem en leven beroofd. Grooten moed ook betuigde de H. Nicasius. Nog onder den balk redetwistte hij met de ketters over het geloof en vooral over de wezenlijke tegenwoordigheid van Jezus in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars ; „Voor die waarheid," riep hij uit, „ben ik bereid mijn leven op te offeren !" *)

Zoo hingen langzamerhand vijftien martelaren naast elkander aan den dwarsbalk. Jacobus Lacops werd aan een ladder ter dood gebracht, terwijl aan de uiteinden van den kleineren balk reeds de gardiaan en de leekebroeder Cornelius in doodsstrijd waren. Alleen de grijze Godfried van Duijnen was nu nog overig. Blijde besteeg hij uit eigen beweging de ladder, toen eenige soldaten onder elkander zeiden : „Ach, laet desen mensch niet hanghen; want hy is gansch onnoosel ende niet wel wijs!" Maar hij, die geheel den marteltijd doorslaande bewijzen van zijn gezonden geest had gegeven, bang dat thans hem de kroon der overwinning nog op het laatste oogenblik zou ontsnappen, hij riep hun toe : „Haest u doch! Help my by mijne mede-broeders,want ick sie de hemelen open." En dan zeide de diep nederige man tot zijne beulen : „Heb ick teghen yemanden yet misdaen, ick bidde om de liefde Godts, dat ghy 't my verghevet." En zoo sprekende kreeg hij zijne plaats tus-

') Smit. Codex C. p. 327.

Sluiten