Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan. De gruwelen, te Gorcum op de heilige martelaren gepleegd, de strooperijen der gewapende benden op het platteland, de aanvallen der Geuzen op vluchtende kloosterlingen, die op de straatwegen achterhaald werden, alles wierp schrik in de gemoederen onzer Kartuizers ; ook wantrouwden zij vele burgers van Delft, die met de Geuzen heulden, en weldra scheen hun het gevaar zoo dreigend, dat de prior Joannes Eschesanus allen verlof gaf het klooster te verlaten en elders veiligheid te zoeken.

Ook Jodocus besloot tot de vlucht; hij verwisselde zijn opperkleed tegen een leekengewaad, maar bleef toch het pijnlijk boetekleed dragen, en verliet in stilte de stad, om zich over Gouda naar Utrecht te begeven. Het was nu einde Juli 1572; niet vele dagen te voren waren de martelaren van Gorcum in Den Briel ter dood gebracht. x)

In stilte biddend zat Jodocus met vele andere reizigers op een wagen, en was reeds ongemerkt buiten de Rotterdamsche poort en tot bij Overschie gekomen, een dorp ongeveer een uur van Delft gelegen. Maar hier werd hij eensklaps door een tuinman, die op de bierbank zat, en aan wien de kloosterling in gelukkiger dagen vele weldaden had bewezen, herkend. „Mannen/' riep de ellendeling tot een troep Geuzen, die zich in het dorp ophielden, „daar is een monnik op den wagen !" Onmiddellijk stormde het tijgergebroedsel op hem aan, en rukte hem onder den kreet „Wij moeten den monnik hebben !" uit het gezelschap.

Zij gebieden hem alles af te geven wat hij bezit;

') Verschillende schrijvers plaatsen den marteldood van den Zal. Joost in het jaar 1571; maar dewijl Den Briel eerst 1 April 1572 in de macht der Geuzen kwam, is het duidelijk, dat deze marteling aldaar niet vóór dien tijd heeft kunnen plaats grijpen. Daarenboven ging Delft eerst den 26sten Juli 1572 aan de Staatschen over.

Sluiten