Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierdoor geraakt men in een zonderlingen toestand en is men verplicht bij toepassing van het Drukpersreglement te rade te gaan met het in 1856 in Ned.-Indië geldende strafrecht, dat is, het oud-Hollandsch en Romeinsch recht, terwijl art. 385 der thans van kracht zijnde strafwet juist dien eenigen grondslag van het Reglement afschaft.

Indien nu de latere strafwetboeken voor Europeanen en Inlanders ons een anderen grondslag gegeven en zich zelf gesteld hadden in de plaats van het afgeschafte recht, zouden wij waarschijnlijk bij den ruil hebben gewonnen, doch volgens art. 6 der Overgangsbepalingen, welke aan het einde der Indische strafwetten te vinden zijn, blijven de bestaande voorschriften ten aanzien van misdrijven, door middel van de drukpers gepleegd, van kracht, altijd met uitzondering van het vroeger geldende oud-Hollandsch en Romeinsch Recht, dat onvoorwaardelijk wordt afgeschaft (Mem. van Toelichting op het Eur. Strafwb. blz. 200 en volg.).

Sommige rechtbanken hebben getracht de bestaande bezwaren op te lossen, door op drukpersmisdrijven de thans geldende strafwetboeken toepasselijk te verklaren, doch zoodoende handelt men in strijd — naar wij meenen — met art. 21 van het Drukpersreglement, hetwelk verwijst — niet naar de later ingevoerde strafwetten, maar naar het in 1856 geldende, op dit oogenblik afgeschafte, oud-Hollandsch en Romeinsch recht.

Het Hoog-Gerechtshof van N.-I. overwoog dienaangaande in zijn arrest van 3 Juli 1872 (/. IV. No. 479), dat het Drukpersreglement slechts een aanvulling was van het bestaande materieele strafrecht en de rechter dus te rade moet gaan met het algemeene wetboek van strafrecht voor N.-I. en wel met de op dit oogenblik geldende strafwetten. Om die reden paste het HoogGerechtshof op drukpersdelicten, welke niet bij het Drukpersreglement zelf waren geregeld, het in 1866 ingevoerde Wetboek van Strafrecht voor Europeanen in Ned.-Indië toe, ofschoon zal moeten toegegeven worden, dat art. 21 van het Reglement niet naar dat wetboek verwijst noch kon verwijzen, omdat het in 1856, tijdens de vaststelling van het Drukpersreglement, nog niet bestond.

Tegelijkertijd meende het Hoog-Gerechtshof echter voor smaad laster of hoon, tegen particulieren gepleegd, het oud-Hollandsch

Sluiten