Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de Faillissementsverordening komt dergelijke verplichting niet voor en er bestond dus voor de strafsanctie geen reden meer.

In de geheele reeks artikelen omtrent eenvoudige en bedriegelijke bankbreuk wordt gesproken van hem, die bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement is verklaard.

In het Nederl. Wetb. v. Str. zijn terecht de woorden rechterlijk vonnis weggelaten.

Geen andere macht toch dan de rechter is daartoe bevoegd.

«Indien hij, zonder dat van kwade trouw blijkt, geene boeken »of geene behoorlijk ingerichte boeken heeft gehouden, zoodat de »ware staat zijns boedels daaruit niet is op te maken.

Indien wèl van kwade trouw blijkt of, zooals de wet het uitdrukt, als hij, ter misleiding zijner schuldeischers, die handelingen heeft verricht, bestaat er bedriegelijke bankbreuk en is art. 320, 9° van toepassing.

In art. 7 van Stbl 1855 no. 79, inhoudende de toepasselijkverklaring van de Europeesche wetgeving op de Vreemde Oosterlingen, bij de invoering van het strafwetboek voor Inlanders ingetrokken en vervangen door art. 327, was bepaald, dat de straffen, bedreigd tegen het niet of niet behoorlijk houden van koopmansboeken, niet worden toegepast, wanneer, ten genoege des rechters blijkt, dat deze nalatigheid, onnauwkeurigheid of onvolledigheid het gevolg zijn van onbedrevenheid.

Bij Stbl. 1890 no. 154 is art. 327 Sw. ingetrokken en kan dus onbedrevenheid in het boekhouden geen straffeloosheid waarborgen.

De rechter, die dus, gebruik makende van zijne facultatieve bevoegdheid om geen straf op te leggen wegens het niet houden van boeken door den failliet, kan dit niet gronden op diens onbedrevenheid.

Zie H. G. Hof 27 Januari 1909. T. 93, blz. 124 en 3 Maart 1909. T. 92, blz. 164.

Bij arrest van 27 Januari 1909 t. a. p. besliste het opperrechterlij k college, dat art. 324, 2°. voor de strafbaarheid vordert, dat uit de boekhouding niet is op te maken de ware staat des boedels. Dit nu kan evengoed het geval zijn door het ontbreken van de

Sluiten