Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 69

Koopen enz. van militaire kleedingstukken.

De strafwetten voor Inlanders en Europeanen bevatten eenige bepalingen tegen het opkoopen van militaire kleedingstukken en wapenen door personen, die niet tot het leger behooren.

Gelijk van zelf spreekt moet niet alleen de soldaat, die zijn kleeding of wapenen verkoopt, gestraft worden, doch behoort ook de burger, die hem daarin de behulpzame hand biedt, door de kleedingstukken te koopen, in pand of in bewaring te nemen, de gestrengheid der strafwet te ondervinden.

Om die reden is in art. 334 der strafwet voor Inlanders en in art. 332 der strafwet voor Europeanen straf bedreigd tegen burgers, die zich aan dergelijke handelingen schuldig maken.

Deze straf treft hen echter alleen, indien zij de personen niet kunnen of willen aanwijzen, van wie zij de militaire kleedingstukken hadden ontvangen.

Zoodra dit wel het geval is, indien zij de noodige inlichtingen verschaffen aangaande den militair of burger, die hun de militaire kleedingstukken of wapenen ter hand stelde, kan de strafwet hen niet meer treffen.

De strafbepaling is ontleend aan de Nederlandsche wet van 1817 Stb. No. 33 en bijna woordelijk daaruit overgenomen.

Weldra echter bleek, dat de wet van 1817 niet voldoende den verkoop van militaire kleedingstukken tegenging.

De kooper, of degeen bij wien de kleedingstukken werden gevonden, kon zich altijd voor straf vrijwaren door den persoon te noemen, van wien hij ze had ontvangen en op die wijze bleef de meest schuldige, zonder wiens hulp de zoo nadeelige handel in militaire kleederen niet kon worden gedreven, straffeloos.

Deze overwegingen gaven aanleiding tot de wet van 1859, Ned. Staatsblad No. 44, waarbij, evenals in de wet van 181 7, het koopen, in pand, in bewaring of in ontvangst nemen van militaire kleedingstukken wordt verboden, anders dan met het kennelijk doel om die kleedingstukken te reinigen of te herstellen.

Uitdrukkelijk voegt de wet in art. 1 alinea 2 er bij, dat de

Sluiten