Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestraft, zelfs als de Inlandsche boer op last der regeering zijn eigen velden met riet heeft beplant (/. IV. 208 en 294).

Tot welk een verwarring de eigendomskwestie hier te lande aanleiding kan geven, blijkt uit een in 1884 gewezen arrest, waarbij de vraag zich voordeed, of de administrateur eener landelijke onderneming straffeloos een dam mocht wegruimen, welke door den administrateur eener andere onderneming in een ravijn gelegd was.

Het Hof overwoog: dat niet blijkt, dat de dam aan anderen toebehoorde, gelijk art. 358 der Europeesche strafwet vordert, daar niet is onderzocht, aan wien de grond van het ravijn in eigendom toekwam, zoodat geheel onzeker is, of de administrateur van Djati Paras wel het recht had een dam in het ravijn te leggen en of die dam niet krachtens Javaansche wetten aan de onderneming Tampir behoorde, in welk geval de beklaagde bevoegd was dien op te ruimen. (Zie verder § 80 over grondbezit).

Thans is het noodig de Indische bepalingen nader te beschouwen.

De bepalingen der strafwet voor Inlanders luiden als volgt.

Art. 357.

(Sw. Eur. art. 355) (C. P. art. 434) (Ned. Sw. art. 157).

Ieder, die moedwillig brand sticht in gebouwen, schepen, schuiten, magazijnen, scheepswerven, bosschen, hakhout of oogsten, hetzij te veld staande, hetzij gekapt of gemaaid, hetzij ook dat het hout op hoopen is gestapeld of in bossen is vereenigd, en de oogst zich op hoopen of in bargen bevindt; of wel in brandbare stoffen, geplaatst op zoodanige wijze, dat daardoor het vuur kan worden medegedeeld aan de genoemde zaken of een van deze, wordt gestraft met den dood, wanneer te voorzien was, dat door de brandstichting eenig menschenleven in gevaar kon worden gebracht.

Wanneer dit niet te voorzien was, is de straf dwangarbeid in den ketting van vijf tot twintig jaren.

Sluiten