Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46.

Welke is uwe gedachte geweest, toen gij op een vreemden weg gebragt werdt, en toen een ander dan uw privisioneele veldkornet u bevelen gaf ?

47.

Wie kwam u voor, het hoofd van die menigte te zijn?

48.

Hebt gij geene anderen gezien, die mede daar bevel voerden ?

49.

Hoe zijt gij eindelijk van Bezuidenhout afgekomen ?

50.

Moet gij niet erkennen door bij die gewapende menigte u bevonden en daarbij gebleven te zijn, in weerwil der gelegenheid die er was om van hen af te komen, u misdadig en strafbaar gemaakt te hebben ?

51.

Wat hebt gij tot uwe verSohooning of verontschuldiging 1,1 te brengen ?

Aldus &c., 21 December 1815.

G-ecommitteerdens : P. Diemel.

W. H iddingh.

1815.

Antwoord : Ik heb daar geeme gedachte over gehad; ik was altijd op zijde.

Antwoord: Ik heb gedacht, dat Johannes Bezuidenhout het hoofd was, en ons niet wilde laten naar huis gaan.

Antwoord: Neen; als Willem Krugel, die onze veldcornet was.

Antwoord: Die is naar huis gereden, en toen ben ik ook naar huis gereden.

Antwoord: Ja; doch ik ben daar onkundig in.

Antwoord : Niets, als dat ik van den Slagtersnek ben omgekeerd, en naar den Adjunct Landdrost Yan de Grraaff gereden, om mij aan te geven.

(Get.) Barend de Lange.

Mij present:

G. Beklaerts van Blokland,

Secretaris.

Sluiten