Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1816.

13.

01 hij nog persisteert bij Art: 17 van zijn tweede verhoor, " dat Jacobus de Wet, Rudolph Botha. Hercules Malang, Jan Breed, en twee anderen, door den Yeldeornet Greijling waren gezonden om rapport te doen aan Majoor Fraser, dog met last om eerst bij Bezuidenhout aan te rijden, om hem te doen terugkeeren, en dat zij daar gekomen zijnde, door Bezuidenhout verhinderd waren geworden om naar Majoor Fraser te rijden, en dat toen, drie hunner zijn terug gekeerd, maar de drie anderen door Bezuidenhout waren gehouden, totdat de Veldoornet Greijling, hen den anderen dag door Maurits Krugel had laten roepen ?

Antwoord: Ja, toen ik bij Greijling was, zeide hij, dat hij zes man had gecommandeerd om daarheen te rijden, en hij wilde ook een brief medegeven aan Majoor Fraser, dog zijne vrouwe zeide dat hij zulks maar laten moest, want dat Jacobus de Wet al weg was met de boodschap.

De getuige Jacobus de Wet zegt dat hij niet is gezonden geworden, maar da-tde Veldcornet Greijling hem wel gezegd had, dat als hij den Veideommandant Nel mogt zien, hij, getuige, aan denzelven zeggen moest, dat wanneer dezelve hem, Greijling, noodig had, hij hem maar moest aanschrijven; en dat voorts Bezuidenhout hem niet heeft verhinderd, alzoo hij met denzelven geen woord gesproken heeft; maar dat 't wel waar is dat hij een voorwendsel gebruikt heeft om terug te komen.

De Gedet: zegt, dat hij verkeerd heeft opgegeven, en verzoekt daarvoor verschooning. De verdere confrontatie op dit punt vervalt.

Zoo ja, te laten binnen staan Jacobus de Wet, Rudolph Botha, Jrhil: Plessis, en Maurits Krugel, en dezelven, na vóórhouding hunner verklaringen op bovengem: omstandigheden, met den Gedet: te confronteeren.

14.

Of hij nu niet erkennen moest, Antwoord: Ja.

door zijn eigen vrijwillig gedrag hooglijk misdaan te hebben, en strafbaar te zijn ?

1.5.

Wat hij nog tot zijne ver- Antwoord: Dat ik geen klaring heeft in te brengen ? aanvoerder van de zaak ben

Sluiten