Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien een burgemeester, niettegenstaande hun verzoek, aan de aanbieders de gelegenheid onthoudt tot verbetering van onwettige opgaven, handelt hij niet in overeenstemming met de bedoeling van den wetgever. Maar formeel is hij volkomen gerechtigd een eenmaal bij hem ingeleverde opgave van candidaten onder zich te houden tegen afgifte van een ontvangbewijs. Op blz. 168 wezen wij er reeds op dat, naar onze meening, de burgemeester een ingelev erde opgave van candidaten op denzelfden dag der inlevering niet steeds mag teruggeven; wij achtten t. a. p. den burgemeester niet bevoegd een opgave, waarvoor hij een bewijs van ontvangst heeft

afgegeven, alsnog ter verbetering terug te geven.

Toezending per post In de m. v. a. 2de k. 1896, blz. 49, gaf de regeering is niet geoorloofd, te kennen, dat toezending per aangeteekenden brief niet geoorloofd is. Daardoor zou de burgemeester de gelegenheid missen om inlichtingen te vragen of opmerkingen te maken, ten gevolge waarvan de verbetering nog denzelfden dag mogelijk zou zijn. Bij besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 22 Augustus 1899, weekbl. burg. adm. 2621, werd beslist, dat toezending eener opgave van candidaten aan den burgemeester over de post in strijd is met dit artikel.

Gevolgen van de in- Verschillend is geoordeeld over de vraag of de levering der opgave inlevering van een opgave van een candidaat door van een candidaat een persoon, die haar niet heeft onderteekend, de door een persoon, verkiezing nietig maakt. Tot aan het koninklijk die haar niet heeft besluit van 6 Maart 1902, staatsblad 44, is de kroon onderteekend. steeds van meening geweest dat inlevering van een opgave van een candidaat door iemand, die daartoe niet bevoegd is, toch geen nietigheid der keuze ten gevolge heeft. Zie daarvoor de koninklijke besluiten van 4 Februari 1898, staatsblad 50, en 13 April 1898, staatsblad 104. Werd bij het besluit van 4 Februari 1898, staatsblad 50, gehandhaafd een raadsbesluit tot toelating van een tot raadslid gekozene, ofschoon bij de candidaatstelling, niet ten opzichte van den benoemde, maar van een anderen candidaat, in strijd was gehandeld met art. 52, eerste lid, bij dat van 13 April 1898, staatsblad 104, genomen in afwijking van het advies van den raad van state, afdeeling voor de geschillen van bestuur, werd uitgemaakt, dat, indien de onregelmatigheid had plaats gehad ten aanzien van den benoemde zelve, dit toch ook geen nietigheid der verkiezing ten gevolge heeft. Bij genoemd koninklijk besluit

Kiesw. ^2

Sluiten