Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot het uiterste was, vermocht de geneesheer die tot stilstaan en langzamerhand tot genezing te brengen.

Kort daarop kwam Lintermans opnieuw te Antwerpen, sprak herhaaldelijk, maar tevergeefs, met Zuster Anna over zijne stichting, en ontving eindelijk op zekeren dag de boodschap : hij moest nog eens in de spreekkamer komen, eene tijding van het hoogste gewicht zou hij daar ontvangen. Hij kwam en zag er achter de spreektralie Zuster Maria Margareta. Hij kende haar niet, en zij had van de priorin verlof gekregen hem ditmaal zonder getuigen te spreken. Verwonderd vroeg hij, wat belangrijke zaak zij hem had mede te deelen, maar hoe stond hij verslagen, toen hij de Zuster geheel den rampzaligen staat van zijn geweten hem hoorde openbaren ! Het was hem als bevond hij zich voor het oordeel Gods. Dan spoedde hij zich naar een biechtvader, beleed hem de zonden van geheel zijn leven, en sedert dien dag was de man, die zooveel voor anderer welzijn gezorgd had, op de eerste plaats bezorgd voor zich zeiven.

Is het wonder, dat hij zich voortaan tot de liefderijke weldoenster zijner ziel getrokken gevoelde en haar ook al spoedig sprak over het plan, dat geheel zijn geest vervulde ? Aanvankelijk toonde Zuster Maria Margareta zich niet ongenegen hem te helpen, maar toen hij haar voorstelde zelve zich met die stichting te belasten, antwoordde zij : „Nog eerder zal men den grooten toren van de kathedraal verplaatsen, dan men mij uit mijn klooster zal trekken !" Toch beloofde zij op Lintermans' dringend aanhouden, dat zij voor die zaak zou bidden, doch voegde er bij : „Ik heb niet het minste verlangen,

dat zij slage."

God evenwel, die haar verkoren had om midden in het krijgsgewoel, dat als een zondvloed ons land overstroomde, een rustige arke des behouds te besturen,

Sluiten