Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in, dal de straat, die hij ingeslagen had, hem voorbij het huisje bracht, waar hij de negen eerste jaren van zijn jeugd gewoond had. En toen hij er vlak bij was, zag hij in den tuin een kind bezig het onkruid te wieden. Aanstonds herkende hij Dick.

«Stil, stil, Dick!» fluisterde Olivier, toen de jongen naar het hek kwam, en zijn dunne armpjes door de spijlen heenstak, om zijn oud vriendje een hand te geven. «Is er al iemand op?»

«Neen, niemand als ik.»

«Je mag aan geen mensch vertellen, dat je me gezien heb, hoor,» zei Olivier toen. «Ik ben weggeloopen. Ze hebben me geslagen en honger laten lijden, Dick, en nu wil ik zien, of ik niet voor me zelf zorgen kan, een heel, heel eind hier vandaan. Waar ik heen moet, weet ik eigenlijk niet. Zeg, Dick, wat zie je er bleek uit.»

«Ik heb den doctor onlangs hooren zeggen, dat het met mij wel niet lang meer duren zal,» antwoordde kleine Dick met een treurig glimlachje. «Ik ben zoo blij dat ik je -\\eei eens zie. Maar houd je nu maar niet op en maak dat je wegkomt!»

«Ja, ja, vaarwel,» antwoordde Olivier. «Ik weet zeker, dat we elkaar zullen weerzien, Dick. Dan zal je gelukkig zijn.»

«Dat hoop ik,» zei Dick. «Als ik dood ben, zal ik gelukkig wezen — eerder niet. Ik weet, dat de doctor gelijk heelt, want ik droom tegenwoordig zoo dikwijls van den hemel, van engelen en vriendelijke gezichten, die ik nooit zie, wanneer ik wakker ben.»

Toen klom Dick boven op het hekje, en zijn armen om Oliviers hals slaande, zei hij: «Goeien dag, Olivier, God bescherm je!»

Sluiten