Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er brak nu een werkelijk zaligen tijd voor Olivier aan. Alles was daar in huis zoo rustig en zoo netjes en zoo ordelijk, iedereen was zoo vriendelijk en zacht voor hem, dat het, na al de ruwheid en meedoogenloosheid, waarmee hij steeds omringd geweest was, wel leek, of hij nu in den hemel was aangeland.

Toen hij zoo ver aangesterkt was, dat hij zich weer gewoon kon aankleeden, kocht de heer Brownlow een mooi pak, een nieuwe muts en een paar schoenen voor hem; en toen hem gezegd werd, dat hij met zijn oude kleeren doen mocht wat hij zelf wilde, gaf hij die aan het dienstmeisje, dat zoo goed voor hem geweest was, en verzocht haar alles aan een jood te verkoopen en het geld voor zichzelf te houden. Het meisje maakte dadelijk gebruik van die toestemming, en toen Olivier uit het venster keek en den jood de kleeren in een doek zag pakken en daarmee weggaan, had hij een gevoel van onbeschrijfelijke blijdschap, van die kleeren nu af te zijn en nooit meer te behoeven te vreezen, dat hij ze weer zou moeten aantrekken. Het waren ook niet veel meer dan lompen, en nooit in zijn leven nog had Olivier een nieuw, voor hem speciaal gekocht pak aan gehad.

Op zekeren avond, ongeveer een week na het voorval met het portret, terwijl Olivier met mevrouw Bedwin zat te praten, werd hem meegedeeld, dat de heer Brownlow hem gaarne, wanneer hij zich althans daarvoor wèl genoeg voelde, in zijn studeerkamer zou zien, omdat hij hem spreken wilde.

Dadelijk ging Olivier naar beneden, en werd na een kort onderhoud, door den ouden heer met een boodschap belast. Hij kreeg namelijk een bankbillet om daarvan eene

II 2

Sluiten