Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Ik zal er voor zorgen, hoor mijn jongen, ik beloof het je. Ik zal heel groote letters schrijven.»

En Jo begint weer te lachen en zegt: «dank u hartelijk, Meneer Snagsby. U bent toch zoo goed voor me, Meneer Sangsby — o nu voel ik me veel beter, dan straks.»

De teergevoelige, kleine heer Snagsby legt met een kuchje, dat hem bijna doet stikken, een vierde zilverstuk op de tafel en wenschte niets liever, dan dat hij maar buiten, op straat was.

Op deze aarde zouden Jo en hij elkaar na dit oogenblik echter nimmer weerzien.

Jo viel in een diepen slaap of liever in een soort van bewusteloosheid, waaruit hij plotseling weer opschrikte. Gelukkig was de heer Woodcourt juist bij hem. «Nu Jo, mijn besten jongen, wat is dat nu? Heb maar geen angst!»

«Ik dacht,» antwoordde Jo met een angstigen blik rondom zich, dat ik weer in mijn vroeger steegje was. Is er behalve u niemand hier in de kamer, Meneer Woodcourt?»

«Neen, niemand.»

«Ik behoef toch immers niet weer naar het steegje terug? Nooit, nooit meer, is het wel, Meneer Woodcourt?»

«Nooit.»

Toen sloot Jo de oogen en fluisterde «duizendmaal dank!» Een oogenblik sloeg de heer Woodcourt hem zeer nauwkeurig gade; dan fluisterde hij hem zacht, vlak in het oor: «Jo, heb je wel eens een gebed geleerd?»

«Ik heb nooit iets geleerd, Meneer.»

«Niet een heel klein gebedje ook?»

«Neen, Meneer Woodcourt. Niets, heelemaal niets!»

Wederom valt Jo in een slaap, waaruit hij even later weer opschrikt.

Sluiten